AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak poging doodslag en veroordeling voor drie verkrachtingen van minderjarigen met mishandeling
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 april 2026 de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van poging tot doodslag en meerdere verkrachtingen van minderjarige slachtoffers tussen 13 en 15 jaar.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot doodslag omdat niet kon worden vastgesteld dat het slachtoffer buiten bewustzijn was geraakt bij het vastpakken van haar hals, waardoor de aanmerkelijke kans op overlijden of zwaar letsel niet bewezen kon worden. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte drie verkrachtingen pleegde, waarvan één onder dwang en met mishandeling door vastpakken en knijpen in de keel.
De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden op en een contactverbod van 3 jaar met één van de slachtoffers. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van de slachtoffers en het feit dat de verdachte ondanks waarschuwingen opnieuw seks had met minderjarigen. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, met toepassing van BEM-clausules ter bescherming van hun belangen.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging doodslag en veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf voor drie verkrachtingen met mishandeling en een contactverbod van 3 jaar.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/096941-25 en 16/331229-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2001 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] ,
(hierna: de verdachte).
1.Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
de verdachte;
de officier van justitie: mr. M. Kamper;
de advocaat van de verdachte: mr. J.M. van Dam (hierna: de advocaat);
de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , samen met haar moeder;
de advocaat van benadeelde partij [slachtoffer 1] : mr. C.J.I.F. van Beek;
de advocaat van benadeelde partij [slachtoffer 2] : mr. F.B. Flooren.
2.Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/096941-25:
feit 1
op 30 maart 2025 in Ameide seksuele handelingen heeft verricht met een kind, van twaalf tot zestien jaar oud, te weten met [slachtoffer 1] (veertien jaar oud), die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging;
feit 2
in de periode van 20 maart 2025 tot en met 28 maart 2025 in Ameide seksuele handelingen heeft verricht met een kind van twaalf tot zestien jaar oud, te weten met [slachtoffer 2] (dertien jaar oud), die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
feit 3
op 22 maart in Ameide seksuele handelingen heeft verricht met een kind van twaalf tot zestien jaar oud, te weten met [slachtoffer 3] (15 jaar oud), die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
16/331229-25:
primair:
op 30 maart 2025 in Ameide heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven door haar keel/nek/hals vast te pakken en dicht gedrukt te houden;
subsidiair:is dit ten laste gelegd als poging zware mishandeling;
meer subsidiair: is dit ten laste gelegd als mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage Ibij dit vonnis.
3.Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten ( 16/096941-25: feit 1, 2 en 3en 16/331229-25: primair) op de beschuldiging heeft gepleegd. De officier van justitie vraagt gedeeltelijke vrijspraak ten aanzien van de verkrachting onder feit 1 (16/096941-25) voor wat betreft het dreigen met een schaar. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van de feiten 2 en 3 onder parketnummer 16/096941-25. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1 (16/096941-25) voor wat betreft de dwang. Daarnaast verzoekt de advocaat om de verdachte integraal vrij te spreken van (alle varianten van) het feit onder parketnummer 16/331229-25. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak primair en subsidiair ten laste gelegde (16/331229-25)
De rechtbank oordeelt dat het feit zoals dit primair en subsidiair onder parketnummer 16/331229-25 aan de verdachte ten laste is gelegd niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Voor zowel een bewezenverklaring van poging tot doodslag als poging tot zware mishandeling is vereist dat bij de verdachte sprake was van opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijs is dat de verdachte aangeefster [slachtoffer 1] wilde doden dan wel zwaar lichamelijke letsel wilde toe brengen. Van vol opzet is daarom geen sprake.
Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het doden dan wel toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Op grond van de inhoud van het dossier en hetgeen op de zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster [slachtoffer 1] bij haar hals heeft vastgepakt en heeft geknepen. Op 30 maart 2026 is bij aangeefster [slachtoffer 1] een forensisch medisch onderzoek (hierna: FMO) uitgevoerd. Aan de hand hiervan heeft [forensisch arts] , forensisch arts bij het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (hierna: LOEF-arts), onder meer gerapporteerd over de interpretatie van de aangetroffen letsels bij de aangeefster en wat de gevaarzetting is geweest van de uitgeoefende druk op de hals en/of hoofd van de aangeefster. Over de gevaarzitting verwijst de LOEF-arts naar een onderzoek van Plattner et al waarbij de ernst van verwurging aan de hand van de klachten en uitwendige letsels wordt onderscheiden in drie gradaties. Volgens de LOEF-arts lijkt in casu sprake te zijn van de derde gradatie: ‘ernstige (levensbedreigende) verwurging met bewusteloosheid en puntbloedingen, bloedingen in het oogwit, op de huid en in het mondslijmvlies’. Bij de aangeefster is namelijk sprake van roodheid en blauwe plekken in de hals, gemelde heesheid en puntbloedingen in de huid rond en in de ogen. De LOEF-arts rapporteert dat deze verschijnselen passen bij de hiervoor beschreven derde graad verwurging en dat dit betekent dat sprake lijkt te zijn geweest van een levensbedreigende verwurging.
Op verzoek van de verdediging is de LOEF-arts vervolgens als deskundige gehoord bij de rechter-commissaris. Daar verklaart de LOEF-arts dat hij enkel een beschrijving van de aangeefster had dat zij mogelijk buiten bewustzijn is geweest en dat om die reden in het rapport de voorzichtige benadering van ‘het lijkt’ is gebruikt. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bewusteloos raken van het slachtoffer als gevolg van de uitgeoefende druk op de hals een onmisbare schakel is om vast te kunnen stellen dat sprake is van een derde graad verwurging en dat deze levensbedreigend is geweest.
Over het moment van het bij de hals vastpakken door de verdachte verklaart de aangeefster dat zij op de grond voor de bank zat toen de verdachte haar bij haar keel vastpakte en haar vroeg of ze ging meewerken. Over het moment waarop zij mogelijk buiten bewustzijn is geraakt verklaart de aangeefster dat zij met haar rug naar het raam op haar knieën voor de salontafel zat en dat de verdachte haar vervolgens – nadat hij haar steeds kusjes probeerde te geven welke zij steeds afhield – hard bij haar haren vastpakte en haar naar achteren trok waardoor ze met haar hoofd tegen de vensterbank van het raam terechtkwam. Wat hierna gebeurde weet ze niet meer. Het eerste moment dat zij zich herinnert is dat ze wakker werd toen ze op de grond lag. De aangeefster verklaart ook nog over een later moment waarop zij tegen de muur aankwam nadat zij werd geslagen door de verdachte waarbij zij niet weet of ze flauw is gevallen of in slaap is gevallen, maar vervolgens weer wakker werd op het bed.
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat aangeefster [slachtoffer 1] buiten bewustzijn is geraakt op het moment dat zij door de verdachte bij haar hals is vastgepakt, kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangeefster [slachtoffer 1] zou overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde onder parketnummer 16/331229-25. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 tot en met 3 onder parketnummer 16/096941-25 en het feit meer subsidiair onder parketnummer 16/331229-25 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
16/096941-25, feit 1 en 16/331229-25, meer subsidiair:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 7 april 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 30 maart 2025 in Ameide ben gepijpt door [slachtoffer 1] en seks met haar heb gehad waarbij ik haar string kapot heb getrokken, haar met de vlakke hand heb geslagen, haar heb gebeten, haar bij haar haren vast heb gepakt en haar bij haar nek vast heb gepakt.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 maart 2025 [2] kwamen wij bij zijn huis. Plots pakte [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte)mij vast achter mijn hoofd aan mijn haar en trok mijn hoofd naar achteren. Hij pakte mij bij mijn keel en keek hij mij aan. Hij vroeg: Ga je meewerken? Ik zei nee. Vanuit de dode hoek pakte hij mijn hoofd weer vast en zei hij dat ik niet zomaar kon gaan zonder dat er iets was gebeurd. Hij pakte mij opeens hard bij mijn haren vast en hij trok mij naar achteren toe. Ik kwam met mijn hoofd hard tegen de vensterbank. [3] Hij pakte mij bij mijn haren vast en trok mij mee naar de slaapkamer. Toen ging hij mij in mijn nek pakken. Ik moest mijn string uittrekken. Ik deed mijn string niet uit. Toen ging hij daar [4] hard aan trekken. Mijn string scheurde. Ineens begint hij mij super hard te bijten in mijn oor en in mijn nek. Ik voelde dat dit pijn deed. Ik moest daarvan gillen en huilen. Toen deed hij zijn piemel erin en eruit in mijn mond. Hij heeft mij uit het niets heel hard geslagen aan de rechterkant van mijn gezicht. Hij sloeg mij met een vuist. Ik kwam toen tegen de muur aan met mijn hoofd. Toen ging hij weer in mijn nek bijten, in mijn oor bijten, in mijn lip bijten en in mijn kaak/wang bijten. Toen ging hij seks met mij hebben. Zijn piemel in mij. Ik moest gaan liggen met mijn benen omhoog en hij deed die er gewoon in, in mijn kut. [5]
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 maart 2025, omstreeks 17:00 uur, hoorde ik geklop aan mijn deur. Ik liep toen naar mijn woonkamerraam om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag dat een meisje (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] )buiten op de stoep voor mijn woning stond. Ik zag dat ze aan het huilen was. Ik zag dat ze heel angstig was. Ik zag namelijk dat het meisje oppervlakkig ademhaalde en dat haar ogen wijd open stonden. Ik ging toen samen met het meisje mijn woning in. Ik zag bij het meisje letsel. Ik zag dat zij bij haar sleutelbeen een hele rode plek had. Kort hierop is de politie ter plaatse gekomen welke het meisje hebben meegenomen. [6]
Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 30 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 30 maart 2025 in Ameide zag ik dat er in de woonkamer op de bank een jong meisje zat. Ik zag dat bij het meisje de tranen over haar wangen liepen. Zij bleek het slachtoffer te zijn: [slachtoffer 1] . Ik zag dat haar nek en sleutelbeen rood gekleurd waren [7] .
Het proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon van 30 maart 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Slachtoffer
Achternaam: [slachtoffer 1]
Voornamen: [slachtoffer 1]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2010
In samenwerking met de LOEF-arts, werd het slachtoffer bekeken op letsels. Wij zagen het volgende:
- rode verkleuringen op haar linker oor;
- rode verkleuringen in haar rechter oor;
- puntbloedingen in de huid rond haar ogen;
- rode verkleuring op haar rechter wang;
- ovale blauwrode verkleuring op haar linker wang;
- rode verkleuring en een twee letsels aan de binnenzijde van haar bovenlip;
- blauwpaarse verkleuring aan rechterzijde van de hals;
- rode en blauwpaarse verkleuringen aan de linkerzijde van de hals;
- op haar rechter schouder een rode verkleuring;
- roodpaarse verkleuring boven haar rechter borst;
- op haar rug enkele rode verkleuringen;
- rode verkleuring op haar linker heup (boven haar bil). [8]
16/096941-25, feiten 2 en 3
De verdachte bekent dat hij feiten 2 en 3 onder parketnummer 16/096941-25 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- De bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 7 april 2026;
- Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 24 april 2025 [9] ;
- Het proces-verbaal van bevindingen (betreffende gesprek met [slachtoffer 3] ) van 24 juni 2025. [10]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen (16/096941-25, feit 1)
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte kan dat de beantwoording van de bewijsvraag ingewikkeld maken. Op grond van artikel 342 lid 2 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet alleen worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring moet er sprake zijn van steunbewijs, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster.
In zedenzaken dient de rechtbank te toetsen of de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en bruikbaar zijn voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid, en de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen.
Indien sprake is van betrouwbare verklaringen van de aangeefster moet de rechtbank, om tot een veroordeling te komen, ook beoordelen of die verklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijs. Niet is vereist dat dit steunbewijs betrekking heeft op de hele tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in ander bewijs. Dit moet worden beoordeeld op basis van de concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.
Wanneer de verklaring betrouwbaar is en ook voldoende steun vindt in ander bewijs, moet tot slot worden bekeken of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn op grond waarvan de rechtbank er desondanks toch niet van overtuigd is dat het feit is begaan door de verdachte.
Toepassing van het kader
In deze zaak staat niet ter discussie dat aangeefster [slachtoffer 1] en de verdachte op 30 maart 2025 in Ameide seksueel contact hebben gehad. Zowel aangeefster [slachtoffer 1] als de verdachte hebben dit verklaard. Aangeefster [slachtoffer 1] was op dat moment 14 jaar oud. De vraag is of wettig en overtuigend bewezen is of dit seksueel binnendringen voorafgegaan werd door dwang, geweld of bedreiging, of daarmee vergezeld ging of door gevolgd werd.
Ten eerste moet de rechtbank beoordelen of de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in totaal zes verklaringen afgelegd op verschillende momenten. De rechtbank merkt op dat de aangeefster op bepaalde onderdelen in geringe mate verschillend heeft verklaard. Dit maakt echter niet dat de verklaringen van de aangeefster als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Daarbij weegt mee dat aangeefster [slachtoffer 1] over de seksuele handelingen en de geweldshandelingen in de kern steeds hetzelfde heeft verklaard. Namelijk dat zij de verdachte moest pijpen en seks met hem heeft gehad. Voorts heeft zij verklaard dat de verdachte haar string kapot heeft gemaakt en dat de verdachte haar meermalen aan haar haren heeft getrokken. Tevens heeft zij verklaard dat zij door de verdachte bij haar hals is vastgepakt en dat hij daarin heeft geknepen, alsmede dat de verdachte haar meermalen heeft geslagen en dat de verdachte haar heeft gebeten op verschillende plekken op haar lichaam. Bovendien zijn dit handelingen waarvan de verdachte ook heeft verklaard deze te hebben uitgevoerd, maar volgens de verdachte zou dit op verzoek van de aangeefster zijn geweest. De rechtbank kijkt ook naar de wijze waarop de aangifte tot stand is gekomen. De aangeefster is direct nadat zij de woning van de verdachte verliet naar de onderbuurvrouw van de verdachte gelopen en samen hebben zij de politie gebeld. Diezelfde avond vindt het informatief zedengesprek plaats en ruim een week later doet zij aangifte.
Anders dan door de advocaat van de verdachte is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. Dat haar moeder verklaart dat zij online vaker loog over haar leeftijd en dat de aangeefster wisselend zou verklaren over (één van) de telefoon(s) van de verdachte, maakt volgens de rechtbank niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn, nu de inhoud van de verklaringen op de voor de verdenking belangrijke punten consistent en gedetailleerd is. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar en waarheidsgetrouw zijn en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.
Steunbewijs
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt dat de verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van de meldster, de onderbuurvrouw van de verdachte. Zij heeft verklaard over de gemoedstoestand van de aangeefster die zij heeft waargenomen. De meldster verklaart namelijk dat de aangeefster voor haar woning stond en op dat moment aan het huilen was en heel angstig was. Bovendien worden de verklaringen van de aangeefster ondersteund door de waarneming van de verbalisant ter plaatse die constateert dat de tranen over de wangen van de aangeefster liepen en dat zij zag dat de nek en het sleutelbeen van de aangeefster rood gekleurd waren. Tot slot worden de verklaringen van de aangeefster ook ondersteund door de tijdens het FMO aangetroffen letsels die passen bij het geweld dat de verdachte op de aangeefster zou hebben uitgeoefend.
Contra-indicaties
De verdachte heeft verklaard dat hij de geweldshandelingen op de aangeefster heeft uitgeoefend op verzoek van de aangeefster en dat dit met wederzijdse instemming plaatsvond. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier die deze stelling ondersteunen, terwijl de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn en worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Conclusie
Gelet op voorgaande oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte seksueel is binnengedrongen bij de aangeefster terwijl dit werd voorafgegaan door dwang, geweld of bedreiging, of daarmee vergezeld ging of door gevolgd werd (16/096941-25, feit 1).
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16/096941-25
feit 1
op 30 maart 2025 te Ameide met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen, duwen, drukken en houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en
- het brengen, duwen, drukken en houden van zijn, verdachtes, penis in en/of tegen de vagina van die [slachtoffer 1] en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang en geweld door
- aan de slip van die [slachtoffer 1] te trekken en de slip kapot te trekken en
- meermalen (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en
- meermalen in de nek, lippen, wangen en oren van die [slachtoffer 1] te bijten en
- die [slachtoffer 1] aan haar haren vast te pakken en vervolgens aan haar haren te trekken en
- die [slachtoffer 1] bij haar keel vast te pakken en in haar keel te knijpen;
feit 2
op meer tijdstippen in de periode van 20 maart 2025 tot en met 28 maart 2025 te Ameide met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011, seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen, duwen, drukken en houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2] en - het brengen, duwen, drukken en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] ;
feit 3
op 22 maart 2025te Ameide , met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2010, seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het brengen, duwen, drukken en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [verdachte] .
16/331229-25:
op 30 maart 2025 te Ameide [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] bij de keel en/of nek en/of hals(streek) vast te pakken en vast te houden en die [slachtoffer 1] haar keel en/of nek en/of hals(streek) dicht te drukken en dichtgedrukt te houden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank heeft geconstateerd dat bij het onder 16/096941-25, feit 3bewezen verklaarde in de tenlastelegging een jaartal ontbreekt, en dat is bedoeld 22 maart 2025 ten laste te leggen. In het licht van de inhoud van het dossier kan hierover geen misverstand bestaan. Uit de verklaring die de verdachte op de zitting heeft afgelegd, leidt de rechtbank af dat de verdachte wist waarvan hij werd beschuldigd en tegen welke verdenking hij zich moest verdedigen. Op de zitting is niet gebleken dat er bij de verdachte enige onduidelijkheid bestond.
De rechtbank heeft hieruit geconcludeerd dat het ontbrekende jaartal een kennelijke verschrijving betreft en heeft dit jaartal in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4.Kwalificatie en strafbaarheid
4.1.
Kwalificatie
Eendaadse samenloop
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De onder 16/096941-25 ,feit 1 en 16/331229-25, meer subsidiair bewezenverklaarde gedragingen leveren een zodanig samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/096941-25, feit 1 en 16/331229-25, meer subsidiair:
Eendaadse samenloop van:
gekwalificeerde verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
en
mishandeling;
16/096941-25:
feit 2: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, meermalen gepleegd;
feit 3: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5.Straf en maatregel
5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een contactverbod wordt opgelegd als vrijheidsbeperkende maatregel.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verwijst naar eerder opgelegde straffen in vergelijkbare zaken waarbij een gevangenisstraf van een aantal maanden met een voorwaardelijk deel is opgelegd in combinatie met een forse taakstraf. Verder voert de advocaat aan dat er weliswaar een (ruim) leeftijdsverschil bestaat tussen de verdachte en de slachtoffers, maar dat de psycholoog heeft opgeschreven dat de verdachte (ruim) jonger oogt dan zijn kalenderleeftijd en de psychiater heeft opgeschreven dat de verdachte een kwetsbare en enigszins wereldvreemde indruk maakt. Bovendien is sprake van eendaadse samenloop tussen feit 1 (laatste gedachtestreepje) onder parketnummer 16/096941-25 en het feit onder parketnummer 16/331229-25.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook wegen zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van 10 dagen schuldig gemaakt aan drie strafbare zedenfeiten, namelijk het als meerderjarige hebben van seks met drie minderjarige meisjes tussen de 13 en 15 jaar oud. Bovendien heeft de verdachte één van de slachtoffers gedwongen tot de seks door het gebruik van dwang/geweld. Eén van deze geweldshandelingen bestond uit het vastpakken en het dichtknijpen van de keel, dat ook als een zelfstandige mishandeling bewezen is verklaard. De verdachte is tussen de 8 en 10 jaar ouder dan de minderjarige slachtoffers en het gaat bovendien om drie bijzonder kwetsbare slachtoffers omdat zij ofwel in een zorginstelling verbleven ofwel anderszins in een moeilijke thuissituatie verkeerden.
Minderjarigen worden in het algemeen onvoldoende in staat geacht hun seksuele integriteit te bewaken, waardoor zij beschermd (moeten) worden tegen zichzelf en anderen die in dat verband misbruik van hen willen maken. Om die reden is seks met een minderjarige tussen de 12 en 16 jaar strafbaar. Dat er, zoals in dit geval ook dwang aan te pas kwam, verhoogt de strafwaardigheid. De verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers.
De verdachte heeft zijn lustgevoelens vooropgesteld zonder oog te hebben voor de mogelijk nadelige psychische gevolgen of gevolgen voor de seksuele ontwikkeling die de feiten op de lange termijn bij de slachtoffers teweeg zouden kunnen brengen. Uit de vorderingen benadeelde partij blijkt ook wat het bewezenverklaarde met de slachtoffers heeft gedaan, dat zij leven met angst- en paniekgevoelens en dat zij zich schamen voor wat er is gebeurd. Bovendien was de seks met slachtoffer [slachtoffer 1] onbeschermd en heeft hij daarmee het risico op geslachtsziektes en zwangerschap op de koop toegenomen. Wat de rechtbank de verdachte in het bijzonder aanrekent, is dat hij een gewaarschuwd man was en toch opnieuw seks had met een minderjarige. Op 28 maart 2025 werd namelijk het 13-jarige slachtoffer [slachtoffer 2] - die werd vermist omdat zij van huis was weggelopen - in de woning van de verdachte aangetroffen. De verdachte verklaarde ter plaatse dat hij heel erg schrok van het feit dat zij nog maar 13 jaar bleek te zijn, omdat zij hem vertelde dat zij 17 jaar was. Twee dagen later heeft de verdachte wederom seks, ditmaal onder dwang, met het 14-jarige slachtoffer [slachtoffer 1] .
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van de verdachte van 24 februari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder door een rechter is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het pro-Justitia (dubbel)rapport van psychiater drs. J.C. Laheij van 24 september 2025 en klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg van 18 september 2025.
Uit het rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte door beide deskundigen een vermijdende persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld en dat deze stoornis ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig was. Er wordt door de deskundigen geen doorwerking gezien tussen deze stoornis en de ten laste gelegde feiten. Beide deskundigen adviseren de ten laste gelegde feiten bij een bewezenverklaring aan de verdachte toe te rekenen.
De psychiater schat het gevaar voor recidive op geweld in het algemeen en op een nieuw zedendelict in als laag. De klinisch psycholoog schat het gevaar voor recidive op geweld en op een nieuw zedendelict in als matig tot laag.
De deskundigen zien beiden geen aanleiding om een interventie-advies in een strafrechtelijk kader te geven, nu sprake is van een laag tot matig recidiverisico en de vastgestelde stoornis niet in verband staat met de ten laste gelegde feiten.
De reclassering, Inforsa Utrecht, heeft op 7 december 2025 ook een advies geschreven over de verdachte. De reclassering schat het gevaar voor recidive in als gemiddeld en adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met – kort gezegd – de volgende voorwaarden: een meldplicht, meewerken aan een ambulante behandeling, een contactverbod met de slachtoffers, meewerken aan dagbesteding, meewerken aan middelencontrole en het vermijden van contact met minderjarigen.
De reclassering ziet ten aanzien van de op te leggen strafmodaliteit geen negatieve consequenties voor de verdachte bij oplegging van een gevangenisstraf. Het uitvoeren van een taakstraf is uitvoerbaar, mits rekening wordt gehouden met de sociale angsten van de verdachte. Gelet op de lage inkomsten van de verdachte acht de reclassering een geldboete niet passend.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Er bestaat vooralsnog geen oriëntatiepunt voor de (gekwalificeerde variant van) verkrachting van een minderjarige. De rechtbank zoekt daarom – ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 1] - aansluiting bij het oriëntatiepunt voor verkrachting (art. 242 SrPro oud) waarbij sprake is van verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Hiervoor geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden. Dit oriëntatiepunt ziet op het eenmalig plegen van het delict.
Strafoplegging
Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Voor de hoogte van deze straf heeft de rechtbank het hierboven genoemde oriëntatiepunt als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De omstandigheden in de door de verdediging aangehaalde uitspraken zijn volgens de rechtbank dusdanig anders dat deze het uitgangspunt in deze zaak niet anders maken. Van dit uitgangspunt wordt niet in strafverzwarende zin afgeweken door de afzonderlijk bewezenverklaarde mishandeling van slachtoffer [slachtoffer 1] , omdat ten aanzien hiervan sprake is van eendaadse samenloop. Wel heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan nog twee verkrachtingen van minderjarigen De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding tot strafmatiging.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 48 maanden op met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, nu de door de psychiater en klinisch psycholoog vastgestelde vermijdende persoonlijkheidsstoornis geen verband houdt met de feiten en het risico op recidive laag-matig wordt ingeschat. Dat de reclassering het recidiverisico op gemiddeld inschat, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en daarom uitgaat van een ander vertrekpunt. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.
De rechtbank wijkt af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat, omdat de straffen die zijn opgelegd in de door de advocaat aangehaalde uitspraken de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd in deze zaak onvoldoende tot uitdrukking brengen.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Maatregel (38v Sr)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van 3 jaar. Deze maatregel houdt een contactverbod in met slachtoffer [slachtoffer 1] . Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van (maximaal) 2 weken, met een totale duur van maximaal 6 maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
6.Vordering benadeelde partij
6.1.
Vordering van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld) als gevolg van feit 1 op de beschuldiging onder parketnummer 16/096941-25 en het feit op de beschuldiging onder parketnummer 16/331229-25. Verder verzoekt [slachtoffer 1] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Op de zitting is verzocht om de BEM-clausule van toepassing te verklaren op het toe te wijzen bedrag.
[slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld) als gevolg van feit 2 op de beschuldiging onder parketnummer 16/096941-25. Verder verzoekt [slachtoffer 2] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Op de zitting is verzocht om de BEM-clausule van toepassing te verklaren op het toe te wijzen bedrag.
[slachtoffer 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 650,26, bestaande uit € 600,- immateriële schade (smartengeld) en € 50,26 materiële schade als gevolg van feit 2 op de beschuldiging onder parketnummer 16/096941-25.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig kunnen worden toegewezen en de vordering van [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 600,- (de opgegeven immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en een BEM clausule. De vordering van [slachtoffer 3] moet voor wat betreft de opgegeven materiële schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard volgens de officier van justitie omdat deze schadepost niet is onderbouwd.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vraagt de rechtbank om de vordering van [slachtoffer 1] te matigen, omdat in de vordering wordt uitgegaan van een te hoge categorie van de Rotterdamse Schaal. Volgens de advocaat kan de vordering maximaal worden ingeschaald op categorie C van verkrachting.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] vraagt de advocaat deze te matigen.
Ten aanzien van de vordering van [verdachte] vraagt de advocaat de gehele vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet wordt voldaan aan de geldende maatstaf om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van immateriële schade.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Vordering [slachtoffer 1] (16/096941-25, feit 1 en 16/331229-25)
Op grond van artikel 6:106 sub b vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij – onder andere - een vergoeding toe voor immateriële schade als sprake is van een op andere wijze aantasten van de benadeelde partij in zijn of haar persoon. In beginsel is daarvoor nodig dat psychisch letsel is vastgesteld, maar onder omstandigheden kunnen ook de aard van de normschending, de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer meebrengen dat een aantasting in de persoon ook zonder vastgesteld psychisch letsel kan worden aangenomen
[slachtoffer 1] is, als kwetsbare minderjarige van 14 jaar oud, slachtoffer geworden van een verkrachting waarbij sprake was van veelvuldig geweld/dwang terwijl zij bij de verdachte thuis was. Zij is onder meer gedwongen tot orale seks en geslachtsgemeenschap. De verdachte heeft daarmee, in ernstige mate, de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en daarnaast ook haar vertrouwen in anderen beschadigd. Hiermee vindt de rechtbank een aantasting in de persoon van [slachtoffer 1] voldoende onderbouwd, zodat een aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.
De rechtbank hanteert het volgende uitgangspunt bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt de ernst van de aantasting van de persoon van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 15.1 onder b (verkrachting, ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de € 7.500,- en € 15.000,-. De rechtbank houdt binnen deze bandbreedte rekening met de mate van geweld waarmee de verkrachting gepaard ging, waarbij 31 letsels bij het slachtoffer zijn aangetroffen en de jonge leeftijd van het slachtoffer. De rechtbank begroot de schade naar billijkheid op een bedrag van € 10.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 30 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 10.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als door de verdachte niet wordt betaald, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals vermeld in het dictum, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Veroordeling in de kosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
BEM-clausule
Omdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Vordering [slachtoffer 2] (16/096941-25, feit 2)
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van [slachtoffer 2] sprake is van een aantasting in persoon welke voldoende is onderbouwd, zodat een aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat. [slachtoffer 2] is, als kwetsbare minderjarige van 13 jaar oud, slachtoffer geworden van een verkrachting terwijl de 10 jaar oudere verdachte haar enkele dagen in huis had genomen omdat zij van huis was weggelopen en onderdak nodig had. Zij bevond zich op dat moment in een afhankelijke positie. Onder die omstandigheden heeft de verdachte misbruik gemaakt van de situatie door in die periode drugs met haar te gebruiken en meermalen seks met haar te hebben. De verdachte heeft daarmee, in ernstige mate, de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en daarnaast ook haar vertrouwen in anderen beschadigd. Hiermee vindt de rechtbank een aantasting in de persoon van [slachtoffer 2] voldoende onderbouwd.
Ook hier zal de rechtbank gebruik maken van de Rotterdamse schaal als hulpmiddel en deze bedragen betrekken bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt de ernst van de aantasting van de persoon van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 15.2 onder b (ontucht met binnendringen, ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de € 6.000,- en € 12.500,-. De rechtbank houdt binnen deze bandbreedte rekening met de kwetsbaarheid en de jonge leeftijd van het slachtoffer, maar ook dat deze bandbreedte mede ziet op ontucht met binnendringen gedurende een periode van maximaal 2,5 jaar, terwijl het in het geval van [slachtoffer 2] om een periode van 8 dagen gaat waarin zij zegt drie keer seks te hebben gehad met de verdachte. De rechtbank begroot de schade naar billijkheid op een bedrag van € 6.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 28 maart 2025 (de meest recente datum van de pleegperiode) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 6.000,- aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als door de verdachte niet wordt betaald, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals vermeld in het dictum, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Veroordeling in de kosten
Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
BEM-clausule
Omdat [slachtoffer 2] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 2] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Vordering [slachtoffer 3] (16/096941-25, feit 3)
Materiële schade
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, voor zover die betrekking heeft op de verzochte vergoeding voor materiële schade, omdat de vordering ten aanzien van deze schadepost onvoldoende is onderbouwd.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van [verdachte] sprake is van een aantasting in persoon welke voldoende is onderbouwd, zodat een aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat. [verdachte] is, als kwetsbare minderjarige van 15 jaar oud, slachtoffer geworden van een verkrachting terwijl de 8 jaar oudere verdachte haar thuis heeft ontvangen terwijl zij was weggelopen van de zorginstelling waar zij verbleef. Zij bevond zich op dat moment in een afhankelijke positie. Bovendien heeft de verdachte een video-opname gemaakt terwijl hij seks had met haar. De verdachte heeft daarmee, in ernstige mate, de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden en daarnaast ook haar vertrouwen in anderen beschadigd. Hiermee vindt de rechtbank een aantasting in de persoon van [verdachte] voldoende onderbouwd.
Ook hier zal de rechtbank gebruik maken van de Rotterdamse schaal als hulpmiddel en deze bedragen betrekken bij de billijkheidsafweging.
In de onderhavige zaak valt de ernst van de aantasting van de persoon van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie 15.2 onder b (ontucht met binnendringen, ernstig) van de Rotterdamse schaal. Daarin wordt een bedrag vermeld tussen de € 6.000,- en € 12.500,-. De rechtbank houdt binnen deze bandbreedte rekening met de kwetsbaarheid en de jonge leeftijd van het slachtoffer, maar ook dat deze bandbreedte mede ziet op ontucht met binnendringen gedurende een periode van maximaal 2,5 jaar, terwijl het in het geval van [verdachte] om een verkrachting gaat. De rechtbank begroot de schade (net als bij [slachtoffer 2] ) naar billijkheid op een bedrag van € 6.000,-. In dit geval heeft de benadeelde partij echter slechts € 600,- gevorderd en de rechtbank kan niet meer toewijzen dan is gevorderd. Dit betekent dat de rechtbank de gevorderde € 600,- in zijn geheel toewijst, met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
Een strafrechter kan ambtshalve, los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. [11] Artikel 36f Sr betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van de beslissing in de voegingsprocedure kan worden opgelegd. Hieruit volgt dat de rechter niet is gehouden het bedrag van de betalingsverplichting als bedoeld in artikel 36f Sr op hetzelfde bedrag te stellen als het bedrag waarvoor zij de daarmee verband houdende vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen. [12]
Omdat de rechtbank vaststelt dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van slachtoffer [verdachte] voor € 6.000,-, zal daarom de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd voor het bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade. De verdachte heeft immers onrechtmatig gehandeld jegens de benadeelde partij [verdachte] , ten gevolge waarvan deze rechtstreeks ook die schade heeft geleden. De schadevergoedingsmaatregel wordt daarom opgelegd voor een bedrag van € 6.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Veroordeling in de kosten
Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
BEM-clausule
Omdat [verdachte] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [verdachte] te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
7.Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 38v, 38w, 55, 57, 248 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
8.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het feit, zoals dit primair en subsidiair op de beschuldiging onder parketnummer 16/331229-25 staat vermeld, niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte alle feiten onder parketnummer 16/096941-25 en het feit zoals dit meer subsidiair is vermeld onder parketnummer 16/331229-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 48 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt de veroordeelde de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidop voor de duur van 3 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect, ook online, contact met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2010);
- met het bevel dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
- bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van maximaal twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (16/096941-25, feit 1 en 16/331229-25)
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 10.000,- bestaande uit
immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
- welk bedrag dient te worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen);
- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 10.000,- te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 75 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de veroordeelde van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (16/096941-25, feit 2)
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 6.000,- bestaande uit
immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
- welk bedrag dient te worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 2] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen);
- verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 6.000,- te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 55 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de veroordeelde van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (16/096941-25, feit 3)
- wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 600,- (zeshonderd) bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
- welk bedrag dient te worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 3] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen);
- verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 6.000,- (zesduizend) te betalen, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 55 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de veroordeelde van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. van den Brink, voorzitter, mr. G.A. Bos en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16/096941-25:
feit 1
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2010, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen, duwen, drukken en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen, duwen, drukken en/of houden van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in en/of tegen de vagina van die [slachtoffer 1]
en welke verkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
- een schaar vast te pakken en daarbij die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Als jij je
niet uitkleedt, dan knip ik jouw kleding kapot", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- aan de BH en/of slip van die [slachtoffer 1] te trekken en/of (vervolgens) de slip kapot te
trekken en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, in de nek, lippen, wangen en/of oren, althans in het lichaam, van die [slachtoffer 1] te bijten en/of
- een tampon uit de vagina van die [slachtoffer 1] te trekken en/of
- die [slachtoffer 1] aan haar haren vast te pakken en/of (vervolgens) aan haar haren te trekken en/of
- die [slachtoffer 1] bij haar keel/nek vast te pakken en/of in haar keel/nek te knijpen;
feit 2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 maart 2025 tot en
met 28 maart 2025 te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden, met een kind in de
leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3]
2011, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten -
het brengen, duwen, drukken en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond
van die [slachtoffer 2] en/of - het brengen, duwen, drukken en/of houden van zijn,
verdachtes, penis en/of vinger(s) in en/of tegen de vagina van die [slachtoffer 2] ;
feit 3
hij op of omstreeks 22 maart te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden, met een kind
in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 4]
2010, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
het brengen, duwen, drukken en/of houden van zijn, verdachtes, penis in en/of
tegen de vagina en/of anus van die [verdachte] .
16/331229-25:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] bij de keel en/of nek en/of hals(streek) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer 1] haar keel en/of nek en/of hals(streek) heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] bij de keel en/of nek en/of hals(streek) heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer 1] haar keel en/of nek en/of hals(streek) heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Ameide , gemeente Vijfheerenlanden [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] bij de keel en/of nek en/of hals(streek) vast te pakken en/of vast te houden en/of die [slachtoffer 1] haar keel en/of nek en/of hals(streek) dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden.
Voetnoten
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025101391, doorgenummerd pagina 1 tot en met 407. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerstePro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.