ECLI:NL:RBMNE:2026:178

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
11825640 UC EXPL 25-6394
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende informatie over consumentenbescherming bij sportschoolabonnement

De eisende partij, Basic-Fit Nederland B.V., vorderde betaling van openstaande termijnen en kosten van de gedaagde partij, die een sportschoolabonnement had. De gedaagde verscheen niet, waardoor verstek werd verleend.

De kantonrechter oordeelde dat op de overeenkomst consumentenbeschermende bepalingen van toepassing zijn die ambtshalve moeten worden getoetst. De eisende partij diende voldoende feiten en relevante bijlagen te overleggen om te kunnen beoordelen of deze bepalingen zijn nageleefd. Dit is niet gebeurd.

De eisende partij, als repeat player, heeft herhaaldelijk nagelaten volledige en waarheidsgetrouwe informatie te verstrekken, onder meer door relevante passages in bijlagen weg te lakken. Dit leidde tot sancties in eerdere uitspraken en nu tot afwijzing van de vordering.

De kantonrechter constateerde tegenstrijdigheden in de stellingen van de eisende partij, zoals het ontbreken van bewijs van opzegging en het feit dat de gedaagde partij meerdere keren de toegang tot de sportfaciliteiten werd ontzegd. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de vordering toewijsbaar was.

De eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van de gedaagde nihil werden begroot.

Uitkomst: Vordering van Basic-Fit wordt afgewezen wegens onvoldoende informatie over naleving consumentenbeschermende bepalingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11825640 UC EXPL 25-6394 CD/942
Verstekvonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Basic-Fit Nederland B.V., h.o.d.n. [.],
gevestigd in Hoofddorp,
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld Beverwijk B.V.,
tegen:
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de kantonrechter de gedaagde partij veroordeelt om een bedrag aan de eisende partij te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
1.2.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.

2.De kern van de zaak

2.1.
De gedaagde partij heeft een sportschoolabonnement (hierna: overeenkomst) gehad bij de eisende partij. Volgens de eisende partij stonden bij beëindiging daarvan nog enkele termijnbedragen en andere kosten open, die ondanks aanmaning niet werden betaald. Daarom vordert zij dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om het openstaande bedrag alsnog te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten. De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde partij niets meer hoeft te betalen.

3.De beoordeling

3.1.
Op de gesloten overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige van die bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.2.
De kantonrechter kan pas beoordelen of de toepasselijke consumentenbeschermende bepalingen zijn nageleefd en of de vordering van de eisende partij toewijsbaar is, als zij over voldoende gegevens beschikt. Daarom moet de eisende partij in de dagvaarding voldoende feiten en omstandigheden stellen en moet zij ter onderbouwing daarvan relevante bijlagen bij de dagvaarding voegen. Als de eisende partij dat nalaat moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
3.3.
Dat volgt uit artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van de Hoge Raad in consumentenzaken.
3.4.
De eisende partij weet dat dit van haar wordt verwacht. Zij is immers een zogenoemde ‘repeat player’, dat wil zeggen een partij die herhaaldelijk vorderingen instelt tegen consumenten die met haar een overeenkomst hebben gesloten. Meestal, net als in deze procedure, houden de vorderingen van de eisende partij verband met ontstane betalingsachterstanden.
3.5.
In dergelijke zaken van de eisende partij is relevant dat zij in (achtereenvolgende versies van) haar algemene voorwaarden (op verschillende manieren) heeft bedongen dat consumenten met een betalingsachterstand niet worden toegelaten tot de sportfaciliteiten. Een dergelijk beding kan onredelijk bezwarend zijn als de eisende partij deze consumenten daarmee over de volledige looptijd van de overeenkomst aan hun betalingsverplichting kan houden, maar hen niet toestaat om ook gedurende die hele periode gebruik te maken van de sportfaciliteiten. Het is daarom aan de eisende partij om duidelijkheid te verschaffen over de feitelijke gang van zaken, maar dat weigert zij stelselmatig.
3.6.
Dat blijkt ook uit enkele gepubliceerde uitspraken in zaken van de eisende partij. In de gepubliceerde uitspraak van 3 april 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3525, leidde dit nog tot een gedeeltelijke afwijzing van de vordering. De eisende partij bleef vervolgens echter volharden in gebrekkige informatieverstrekking en ging op enig moment zelfs relevante passages in de bijlagen bij haar dagvaardingen weglakken. Dat heeft geleid tot volledige afwijzing van vorderingen van de eisende partij, zo blijkt onder andere uit gepubliceerde uitspraken van 19 juni 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3852, en 27 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6490.
3.7.
De eisende partij heeft daarin echter geen aanleiding gezien om de kantonrechter alsnog van de nodige informatie te voorzien over haar handelwijze ten opzichte van consumenten met een betalingsachterstand, zoals de gedaagde partij.
3.8.
Ook in de nu ter beoordeling voorliggende procedure constateert de kantonrechter dat de eisende partij informatie heeft weggelakt uit enkele bijlagen bij de dagvaarding. Om welke reden zij dat heeft gedaan kan in het midden blijven. [1] De enkele constatering dat de eisende partij wederom niet alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoert en doelbewust relevante informatie achterwege laat, is voldoende voor een sanctie.
3.9.
De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat de eisende partij in haar dagvaarding expliciet heeft gesteld dat de gedaagde partij gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst gebruik heeft kunnen maken van de sportfaciliteiten. Het had op de weg van de eisende partij gelegen om die stelling nader toe te lichten, omdat die zonder nadere toelichting niet rijmt met de uit het dossier blijkende feiten:
3.10.
Zo is deze stelling zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te rijmen met het beding in artikel 5g van de toepasselijke algemene voorwaarden (versie 1 juli 2021), waarin met zoveel woorden staat dat de overeenkomst in geval van betalingsverzuim “
met directe ingang” wordt beëindigd, in welk geval een consument “
alle lidmaatschapsgelden[
is]
verschuldigd die zouden moeten worden voldaan gedurende de looptijd van de overeenkomst plus de incassokosten die in rekening worden gebracht.
3.11.
De stelling dat de gedaagde partij gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst gebruik heeft kunnen maken van de sportfaciliteiten is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te rijmen met de (uit bijlage 6 bij de dagvaarding blijkende) omstandigheid dat de toegangspas van de gedaagde partij 48 keer blokkeerde.
3.12.
Deze stelling valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin te rijmen met de (uit bijlage 7 bij de dagvaarding blijkende) omstandigheid dat zij de gedaagde partij kosten in rekening heeft gebracht met de omschrijving ‘revenue tailgating’. Tailgating is immers het zich onbevoegd toegang verschaffen door gauw achter iemand aan te lopen als die een beveiligde ingang betreedt. Dergelijk gedrag zou immers niet nodig zijn geweest als de gedaagde partij niet de toegang zou zijn ontzegd.
3.13.
Bij gebreke van enige relevante toelichting strandt de vordering op de constatering dat de eisende partij, ook in deze procedure, in strijd met artikel 21 Rv Pro niet alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid heeft aangevoerd en doelbewust relevante informatie achterwege heeft gelaten. Daar moet de kantonrechter consequenties aan verbinden. Hij acht, mede gelet op de beschreven voorgeschiedenis, afwijzing van de vordering de passende sanctie. Aan een inhoudelijke beoordeling komt de kantonrechter daardoor niet toe.
3.14.
De eisende partij wordt, nu zij ongelijk krijgt, veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de gedaagde partij worden begroot op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, tot de datum van dit vonnis aan de zijde van de gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.De kantonrechter vermoedt dat de weggelakte informatie ook nu weer, net als in die eerdere procedures, verwijst naar verzonden aanmaningsbrieven, waar de eisende partij liever niet de aandacht van de kantonrechter op wil vestigen, omdat daaruit zou kunnen blijken dat zij feitelijk anders heeft gehandeld dan zij in haar dagvaarding heeft gesteld, bijvoorbeeld omdat zij in die brieven wel degelijk heeft vermeld of gesuggereerd dat de overeenkomst voortijdig zou worden beëindigd, of dat de gedaagde partij niet zou worden toegelaten tot de sportfaciliteiten tot de achterstand zou zijn ingelopen. Daar komt nog bij dat de eisende partij in haar dagvaarding expliciet heeft gesteld dat de gedaagde partij de overeenkomst zou hebben opgezegd, maar dat zij geen bewijs van opzegging in het geding heeft gebracht, hoewel dat wel van haar had mogen worden verwacht. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de overeenkomst niet door de gedaagde partij is opgezegd maar in plaats daarvan door de eisende partij is ontbonden, en dat zij daarbij aanspraak heeft gemaakt op de in – het eerder door de kantonrechter onredelijk bezwarend geoordeelde – artikel 5g van haar algemene voorwaarden bedongen vergoeding.