Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1788

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/3915
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45, eerste lid, onder m, van de ZWArt. 6, tweede lid, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging Ziektewet-uitkering wegens weigering passende werkzaamheden

Eiser, voormalig werknemer die zich ziek meldde na twee bedrijfsongevallen, kreeg een maatregel opgelegd door het UWV tot verlaging van zijn Ziektewet-uitkering met 25% voor vier maanden wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.

Eiser voerde aan dat het bestreden besluit onjuist gemotiveerd was en dat de aangeboden werkzaamheden niet passend waren vanwege mentale klachten. De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd was en dat de wijziging in motivering geen motiveringsgebrek opleverde.

De rechtbank stelde vast dat eiser de aangeboden aangepaste werkzaamheden, passend geacht door de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige, heeft geweigerd zonder medische onderbouwing die de beperkingen verder zou aantonen.

Daarom concludeerde de rechtbank dat het UWV de maatregel terecht heeft opgelegd en wees het beroep af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van de Ziektewet-uitkering wegens weigering passende werkzaamheden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.D.Z. Asmus),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).

Inleiding

Eiser was werkzaam als [functie] bij [bedrijf] B.V. (ex-werkgever) voor 40 uur per week. Op 21 augustus 2023 heeft eiser zich ziek gemeld als gevolg van klachten na een bedrijfsongeval. Eiser heeft zijn werk hierna gedeeltelijk hervat, maar heeft zich na een nieuw bedrijfsongeval op 26 oktober 2023 opnieuw ziek gemeld. Het dienstverband werd beëindigd per 2 december 2023. Met ingang van 3 december 2023 is aan eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Ex-werkgever is eigenrisicodrager en verantwoordelijk voor de uitvoering van de ZW. Omdat eiser onvoldoende zou hebben meegewerkt aan de re-integratie, heeft ex-werkgever het Uwv verzocht om een maatregel aan eiser op te leggen.
Met het besluit van 7 november 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiser een maatregel opgelegd tot verlaging van zijn ZW-uitkering met 25% vanaf 12 oktober 2024 tot en met 11 februari 2025, omdat eiser niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan het opstellen van een re-integratieplan.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 13 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is met een tolk, A. Kozak, naar de zitting gekomen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordelingskader
1. Het Uwv weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, als de verzekerde zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd mee te werken aan door zijn werkgever getroffen maatregelen die erop gericht zijn om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten. [1]
2. In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is de verplichting tot het meewerken aan de door werkgever getroffen maatregelen, die erop gericht zijn om passende arbeid te verrichten, ingedeeld in de derde-categorie. [2] De hoogte en duur van een op te leggen maatregel voor het niet naleven van een verplichting uit de derde categorie wordt vastgesteld op 25% van het uitkeringsbedrag gedurende ten minste vier maanden. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Geen motiveringsgebrek
3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, omdat in het bestreden besluit niet expliciet wordt gemaakt dat de grondslag voor de opgelegde maatregel is aangepast. Daarbij stelt eiser dat in het bestreden besluit staat dat het primaire besluit terecht is genomen, omdat eiser niet voldoende zou hebben meegewerkt aan de re-integratie inspanningen van de werkgever. Maar dit was niet de motivering in het primaire besluit voor het opleggen van de maatregel. Toen ging het erom dat eiser niet zou hebben meegewerkt aan het opstellen van een re-integratieplan. Die motivering was volgens eiser onjuist en daarom was hij genoodzaakt om in bezwaar te gaan. Pas in het bestreden besluit is volgens eiser de motivering aangepast zonder daarbij in te gaan op de bezwaargrond dat de motivering in het primaire besluit onjuist is.
4. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat eiser wordt verweten dat hij niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan de re-integratie inspanningen omdat hij heeft geweigerd passende werkzaamheden te verrichten. Bovendien
heeft het Uwv voor de motivering van het bestreden besluit verwezen naar het bijgevoegde rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 mei 2025. In dit rapport wordt ook duidelijk gemaakt dat eiser niet meer werd tegengeworpen dat hij niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan het opstellen van een re-integratieplan, maar dat hij heeft geweigerd passende werkzaamheden te verrichten. Dat in het bestreden besluit niet meer is ingegaan op de bezwaargrond met betrekking tot de onjuiste motivering van het primaire besluit, maakt dus niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek dat tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Passende werkzaamheden
5. Eiser voert verder aan dat hij wel heeft voldaan aan de re-integratie inspanningen, zodat de maatregel ten onrechte is opgelegd. Daarbij stelt eiser dat de door ex-werkgever aangeboden werkzaamheden niet passend zijn, omdat uitvoering daarvan vanwege zijn belastbaarheid niet van hem kan worden gevergd. Op de zitting heeft eiser in dit verband gesteld dat het gaat om zijn mentale klachten, omdat de aangeboden werkzaamheden exact dezelfde zijn als die hij uitvoerde toen het tweede bedrijfsongeval plaatsvond. Het geplet worden tussen twee pallets door een palletwagen heeft een diepe (mentale) impact op eiser gehad. Daarnaast stelt eiser dat ex-werkgever geen alternatieven heeft aangeboden.
6. De rechtbank stelt vast dat de bedrijfsarts de belastbaarheid van eiser in het inzetbaarheidsprofiel van 23 augustus 2024 heeft vastgesteld. Daarbij zijn meerdere beperkingen op het fysieke vlak aangenomen. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ex-werkgever in het kader van de re-integratie aangepaste werkzaamheden aan eiser heeft aangeboden, namelijk het scannen van pallets in voorraad voor 4 uur per dag en 20 uur per week, en dat eiser deze werkzaamheden heeft geweigerd.
7. Het standpunt van eiser dat deze werkzaamheden, gezien zijn mentale klachten, niet passend zijn, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat hij verdergaand beperkt is dan de bedrijfsarts in het inzetbaarheidsprofiel van 23 augustus 2024 heeft aangenomen. De rechter is geen arts en kan dus niet zelf beoordelen of de belastbaarheid van eiser anders is dan door de bedrijfsarts is aangenomen. Nu eiser geen stukken heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan het medisch oordeel van de bedrijfsarts zoals dat is vastgelegd in het inzetbaarheidsprofiel van 23 augustus 2024.
8. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de belastbaarheid van eiser met de aangeboden werkzaamheden wordt overschreden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 12 mei 2025 toegelicht dat de door ex-werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige de werkplek heeft bezocht en geconcludeerd heeft dat de werkplek veilig is en dat de aangeboden werkzaamheden, gezien de belastbaarheid van eiser, passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om anders te oordelen. De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de maatregel terecht heeft opgelegd, omdat eiser passende werkzaamheden heeft geweigerd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026 door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 45, eerste lid, onder m, van de ZW.
2.Artikel 6, tweede lid, van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.
3.Artikel 2 van Pro het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten.