Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelt dat verweerder niet tijdig op dit bezwaar heeft beslist. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond verklaard.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een realistische termijn, conform de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, een besluit moet nemen. Deze termijn is vastgesteld op uiterlijk 27 juni 2026. Voor elke dag dat verweerder deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53,-. De rechtbank sluit zich aan bij het beleid en de jurisprudentie omtrent dwangsommen en proceskosten in bestuursrechtelijke procedures.