Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van 7 mei 2025 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en stelde op 13 mei 2025 bezwaar in. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, wat door verweerder zelf is erkend. Eiseres heeft vervolgens een ingebrekestelling gestuurd op 27 november 2025 en binnen twee weken beroep ingesteld op 17 december 2025.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de achterstanden bij het UWV door een tekort aan verzekeringsartsen en het nog uit te voeren sociaal medisch onderzoek, stelt de rechtbank een termijn van twee maanden vast voor het nemen van het besluit. Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 467,- en het griffierecht van € 53,- aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 18 februari 2026.