ECLI:NL:RBMNE:2026:185

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
C/16/556181 / FL RK 23-402 en C/16/566293 / FL RK 23-1127
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindbeschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling van aandelen in holding B.V.

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 16 januari 2026 een eindbeschikking gegeven in een echtscheidingsprocedure tussen een man en een vrouw. De rechtbank had eerder op 7 februari 2025 de echtscheiding uitgesproken en nevenvoorzieningen getroffen, waaronder de verdeling van aandelen in de holding van de man. De rechtbank heeft een deskundige aangesteld om de waarde van de aandelen te bepalen, welke op 24 april 2023 is vastgesteld op € 698.010. De vrouw heeft ingestemd met deze waardering, maar de man heeft bezwaar gemaakt tegen de taxatie. De rechtbank heeft de aandelen aan de man toegewezen en bepaald dat hij de vrouw een overbedelingsvergoeding moet betalen, afhankelijk van de mogelijkheid om gebruik te maken van de doorschuiffaciliteit voor de AB-claim. De rechtbank heeft ook de kosten van de deskundige en de proceskosten geregeld. De beslissing is openbaar uitgesproken en partijen hebben het recht om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Zaakgegevens:
  • C/16/556181 / FL RK 23-402 (echtscheiding)
  • C/16/566293 / FL RK 23-1127 (huwelijksvermogensrecht)
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking van 16 januari 2026
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. E.A.C. Nijhof-Top,
e n
[verweerster],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P.P.M. Voskuil-van Dijk.

1.De procedure

1.1.
Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 februari 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en een aantal nevenvoorzieningen getroffen. De beslissing over de verdeling van de aandelen van de onderneming van de man en de proceskosten is daarin aangehouden.
1.2.
In voormelde tussenbeschikking is ten behoeve van de waardering van de aandelen een deskundigenonderzoek gelast met benoeming van [naam] als deskundige/forensisch mediator. Ook is het voorschot op de kosten van de deskundige begroot op een bedrag van € 15.000 (inclusief BTW). Bij beschikking van deze rechtbank van 31 juli 2025 is een aanvullend voorschot bepaald van € 7.500.
1.3.
Nadien heeft de rechtbank nog de navolgende stukken ontvangen:
het deskundigenbericht van 24 oktober 2025 met bijlagen 1 tot en met 5;
het bericht van de man van 13 november 2025 met akte en bijlagen 1 tot en met 3;
het bericht van de vrouw van 13 november 2025 met akte en wijziging verzoeken.

2.De verdere beoordeling

onderzoek deskundige
2.1.
De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 7 februari 2025 de deskundige gevraagd om een antwoord te geven op de navolgende vragen:
Wat is in het kader van de echtscheiding de te verdelen intrinsieke waarde (zijnde het zichtbaar eigen vermogen, de eventueel zakelijk overdraagbare goodwill en de eventueel overige stille reserves) van de aandelen in de onderneming van de man [holding B.V.] per peildatum 24 april 2023? Bij beantwoording van deze vraag kan de deskundige ter bepaling van de zakelijk overdraagbare goodwill op basis van de “Mobach-methode” alle normalisatie toepassen die hij noodzakelijk acht.
Kunt u een uitspraak doen over de redelijkerwijs te verwachten hoogte van een belastingclaim (AB-claim)?
Geeft het dossier en/of onderzoek nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de waardering van de aandelen per peildatum van belang zouden kunnen zijn?
forensische mediation
2.2.
Alvorens over te gaan tot het uitbrengen van het deskundigenbericht, heeft de deskundige – zoals de rechtbank die mogelijkheid in de beschikking van 7 februari 2025 heeft geboden – geprobeerd om onder zijn begeleiding partijen tot een vergelijk te brengen (forensische mediation). Daarvoor hebben er op respectievelijk 31 maart 2025, 23 mei 2025 en 7 juli 2025 gesprekken plaatsgevonden op het kantoor van de deskundige. Bij die bijeenkomsten waren partijen aanwezig met hun advocaten. Omdat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken, hebben zij de deskundige op 7 juli 2025 verzocht om een deskundigenbericht uit te brengen.
bevindingen deskundige
`
intrinsieke waarde
2.3.
De deskundige heeft de intrinsieke waarde van de aandelen van de man in [besloten vennootschap] per de peildatum van 24 april 2023 bepaald op een bedrag van € 698.010.
AB-claim
2.4.
De deskundige heeft opgemerkt dat de Belastingdienst het verzoek van de vrouw om verlenging van de tweejaarstermijn voor de toepassing van de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17 Wet IB 2001 heeft toegekend. De tweejaarstermijn is verlengd met 12 maanden tot 24 april 2026. Dit biedt – voor zover de waarde van de aandelen vóór 24 april 2026 onherroepelijk komt vast te staan – de mogelijkheid om de AB-heffing door te schuiven naar de man zodat de vrouw deze niet zelf hoeft te betalen over haar vervreemdingsvoordeel in box 2.
2.5.
Voor het bepalen van de hoogte van de AB-claim bestaan er in de literatuur twee stromingen. Een deel hangt de methode van de ‘nominale waarde’ aan en een ander deel de methode van de ‘contante waarde’. De deskundige heeft aangegeven dat hij zelf een aanhanger is van de ‘nominale waarde’ als AB-claim. Hij heeft voor beide methodes de AB-heffing rekenkundig uitgewerkt.
‘nominale waarde’
2.6.
Ten behoeve van het in stand laten van de consistentie over de waardering per de peildatum van 23 april 2023, heeft de deskundige het AB-tarief zoals dat in 2023 gold van 26,9% in aanmerking genomen. Ervan uitgaande dat de AB-claim op alle aandelen in [holding B.V.] drukt, bedraagt de AB-claim op basis van de waarde van de aandelen van € 698.010 en een verkrijgingsprijs van € 18.000 (€ 698.010 - € 18.000) x 26,9% = € 182.923.
‘contante waarde’
2.7.
Bij de methode van de ‘contante waarde’ sluit de deskundige aan bij de door het Hof ‘s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2023:2395) bepaalde berekeningssystematiek. Daarin wordt het aantal jaren tot aan de pensioenleeftijd contant gemaakt tegen het percentage van 4%. Ook bij deze methode is de deskundige uitgegaan van het AB-tarief zoals dat gold in 2023. De verwachte ingangsdatum van de AOW van de man is 19 september 2032, zijnde 9 jaar na de peildatum. Volgens de berekeningssystematiek van het hof komt het contante AB-tarief dan uit op 18,9%. De contante AB-claim op alle aandelen is daarmee (€ 698.010 - € 18.000) x 18,9% = € 128.522.
2.8.
De deskundige heeft als slotopmerking vermeld dat de man vermoedelijk ter betaling dan wel voldoening van de overbedelingsvordering van de vrouw uit hoofde van de toedeling van de aandelen aan hem, deels of geheel dividend moet gaan uitkeren in de directe nabije toekomst. Voor wat betreft de door de rechtbank gestelde vraag als genoemd onder 2.1 c) heeft de deskundige aangegeven geen opmerkingen te hebben.
afwikkeling aandelen
2.9.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het deskundigenbericht van 24 oktober 2025 beide partijen in de gelegenheid gesteld om akte te nemen. Beide partijen hebben op 13 november 2025 akte genomen. De rechtbank heeft partijen daarop laten weten dat zij uiterlijk 27 januari 2026 een (eind)beschikking zal afgeven.
omvang geschil
2.10.
De vrouw heeft aangegeven dat zij zich kan vinden in het deskundigenbericht. Zij stemt in met de waardering van de aandelen op € 698.010 per de peildatum van 23 april 2023. De vrouw heeft in haar akte ook haar verzoeken inzake de verdeling van de aandelen gewijzigd c.q. aangevuld. Zij verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de man te veroordelen tot medewerking aan de notariële toedeling/overdracht van de aandelen in [holding B.V.] aan hem, onder de verplichting om uit te betalen aan de vrouw het bedrag van € 349.005, dan wel het bedrag van € 284.744, waarbij de man de volledige AB-claim voor zijn rekening zal nemen, dan wel een dusdanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2023 dan wel een dusdanig datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, binnen 14 dagen na betekening van de in deze af te geven beschikking;
te bepalen dat indien de notariële overdracht en betaling niet heeft plaatsgevonden binnen 14 dagen na betekening van de af te geven beschikking, deze in de plaats te stellen van de notariële overdracht en de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw het bedrag van € 349.005, dan wel het bedrag van € 284.744, waarbij de man de volledig AB-claim voor zijn rekening zal nemen, dan wel een dusdanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2023 dan wel een dusdanig datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren, binnen 14 dagen na betekening van de in deze af te geven beschikking, en
met veroordeling van de man in de kosten van de deskundige en de procedure.
2.11.
De rechtbank acht de aanvullende verzoeken van de vrouw niet in strijd met de goede procesorde. Het gaat om een concretisering van haar eerdere verzoeken naar aanleiding van het uitgebrachte deskundigenbericht. Daar komt bij dat de verzochte punten onderwerp zijn geweest van de mediation, zoals blijkt uit het deskundigen-bericht.
2.12.
De vrouw stelt dat zij voor de AB-claim en de doorschuiffaciliteit van artikel 4.17 Wet IB 2001 – gelet op de proceshouding van de man – ervan uitgaat dat zij deze heffing zelf zal moeten voldoen. Zij vraagt daarom primair om de AB-claim niet in mindering te brengen op de aan haar te betalen overbedelingsvergoeding. In dat geval zal de man haar een bedrag van € 349.005 moeten betalen. Als de man wel tijdig (dus vóór 26 april 2026) meewerkt aan de notariële overdracht van de aandelen onder uitbetaling van de helft van de waarde aan haar, dan stelt de vrouw dat met het contant gemaakte AB-claim rekening moet worden gehouden van € 128.522. De man zal dan een bedrag van € 284.744 aan haar moeten betalen. De vrouw stelt dat de man in staat is om de overbedelingsvergoeding aan haar te betalen. Hij heeft immers na verkoop van de [tweede woning] een bedrag van € 159.000 ontvangen. Verder zijn partijen het erover eens dat de echtelijke woning dient te worden verkocht. Uitgegaan van een overwaarde van naar schatting € 300.000, zou de man ook het aan hem toekomende deel daarvan kunnen aanwenden voor de overbedelingsvergoeding.
2.13.
De man stelt dat hij niet kan instemmen met de door de deskundige bepaalde waarde van de aandelen. Hij verzoekt de rechtbank om over te gaan tot het houden van een nadere mondelinge behandeling. Volgens de man maakt zijn mail aan de deskundige van 15 oktober 2025 integraal onderdeel uit van het deskundigenbericht. Daarin maakt hij bezwaar tegen de getaxeerde waarde van het [bedrijfspand]. Hij stelt een nieuwe taxatie van het bedrijfspand te hebben laten uitvoeren waarvan het eerste blad als bijlage 1 aan zijn akte is gehecht en het volledige rapport per post naar de rechtbank is verstuurd. De man verwijst verder naar het als bijlage 2 overgelegde verklaring van zijn accountant en het als bijlage 3 overgelegde door hem opgestelde overzicht van de nog te verrekenen posten.
geen nieuwe mondelinge behandeling
2.14.
De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van de man om een nadere mondelinge behandeling te houden. Zij is van oordeel dat de stukken die zij van beide partijen en de deskundige heeft ontvangen voldoende zijn om de procedure schriftelijk af te doen.
waarde aandelen
2.15.
Vast staat dat de aandelen in [holding B.V.] (juridisch) op naam van de man staan. Deze aandelen vallen in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Partijen zijn het erover eens dat de aandelen kunnen worden toegedeeld aan de man. Zij zijn het er echter – ook na het ingelaste deskundigenonderzoek – niet eens geworden over de waarde die per peildatum (24 april 2023) aan de aandelen moet worden toegekend zodat de rechtbank daar een beslissing over dient te nemen.
2.16.
De rechtbank zal de waarde van de aandelen in [holding B.V.] bepalen op € 698.010, in overeenstemming met het deskundigenbericht. Zij begrijpt dat de man het niet eens is met de waardebepaling omdat die volgens hem gestoeld is op een te hoge taxatie van zijn bedrijfspand. Desalniettemin ziet de rechtbank geen aanleiding om van die getaxeerde waarde af te wijken. Het bedrijfspand is getaxeerd door een – conform het spoorboekje bepaalde – onafhankelijke makelaar, terwijl het als bijlage 1 overgelegde taxatierapport in opdracht van de man is vervaardigd. Afgezien daarvan heeft de man in zijn akte enkel verwezen naar dit taxatierapport. Dat is onvoldoende. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen immers mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. [1] Het voorgaande brengt mee dat een rechter slechts hoeft te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt betekent niet dat die zich ter ondersteuning van zijn/haar standpunt op dat feit beroept.
AB-claim
2.17.
Bij levering van de aandelen aan de man, is de vrouw een AB-heffing verschuldigd, omdat zij als het ware de aandelen aan de man vervreemdt. Uit het deskundigenbericht, en meer in het bijzonder bijlage 3 daarbij, volgt dat de vrouw deze latente AB-claim kan doorschuiven naar de man als de waarde van de aandelen onherroepelijk is vastgesteld vóór 24 april 2026. Lukt dat niet voor die datum, dan zal de vrouw zelf deze heffing moeten voldoen. In tegenstelling tot de vrouw heeft de man geen standpunt ingenomen over de vraag op welke wijze dient te worden omgegaan met deze latente AB-claim. Meer specifiek heeft de man niet gesteld of hij instemt met de mogelijkheid tot doorschuiven. De rechtbank zal daarom hierna een beslissing nemen voor zowel de situatie dat de AB-claim kan worden doorgeschoven als de situatie dat de vrouw zelf de AB-claim moet voldoen.
2.18.
Voor wat betreft de methode voor het bepalen van de hoogte van de AB-claim lopen de meningen in de literatuur en jurisprudentie sterk uiteen, waarbij van beide zijden met rekenkundige voorbeelden het eigen gelijk en het ongelijk van de ander wordt geïllustreerd. De rechtbank is van oordeel dat, omdat de waarde van de aandelen wordt vastgesteld op het bedrag dat zou zijn ontvangen bij verkoop daarvan op de peildatum, ditzelfde uitgangspunt moet worden gehanteerd bij de bepaling van de waarde van de daaraan verbonden belastingclaim. Dit betekent dat de rechtbank uit zal gaan van de AB-heffing zoals die op dat moment zou hebben gegolden, dus via de zogenoemde ‘nominale methode’. In overeenstemming met het bericht van de deskundige gaat de rechtbank uit van een belastinglatentie van 26,9%, zoals hiervoor onder 2.6 is omschreven.
overbedelingsvergoeding
2.19.
De rechtbank zal gelet op het hiervoor besprokene de aandelen in [holding B.V.] toedelen aan de man voor € 698.010, waarbij:
voor het geval gebruik kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit, rekening houdend met een latente (nominale) AB-claim van € 182.923, de man aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van (€ 698.010 - € 182.923) ÷ 2 = € 257.543,50 moet betalen, en
voor het geval geen gebruik meer kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit, de man aan de vrouw wegens overbedeling (€ 698.010 ÷ 2 =) een bedrag van € 349.005 moet betalen.
2.20.
In aansluiting op het voorgaande merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat de man niet in staat zou zijn om de hiervoor bepaalde vergoedingen aan de vrouw te voldoen zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. In die visie wordt de rechtbank gesterkt omdat de vrouw gemotiveerd heeft gesteld dat de man het aan hem toekomende deel van de overwaarde van de verkochte [tweede woning] van € 159.000 en de overwaarde van de nog te verkopen echtelijke woning van (€ 300.000 ÷ 2 =) € 150.000 daarvoor zou kunnen aanwenden. Voor de goede orde wijst de rechtbank er ook op dat voor de uiteindelijke overdracht er nog een levering moet plaatsvinden van de aandelen aan de man via de notaris. [2]
wettelijke rente
2.21.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de overbedelingsvergoeding vanaf 24 april 2023 te vermeerderen met de wettelijke rente afwijzen. Deze vergoeding wordt voor het eerst in deze beschikking vastgesteld. Daar komt bij dat de rechtbank, gelet op de omvang van de vergoeding, hierna zal beslissen dat de man deze pas binnen 3 maanden na de datum van deze beschikking aan de vrouw dient te voldoen. Van een verzuimsituatie die maakt dat wettelijke rente is verschuldigd is daarom nog geen sprake.
kosten deskundige en taxatie
2.22.
In de tussenbeschikking van 7 februari 2025 heeft de rechtbank al overwogen dat de kosten van de deskundige en de kosten voor de taxatie van het bedrijfspand bij helfte door partijen dienen te worden gedragen. De vrouw heeft nu verzocht om te bepalen dat de man alle kosten van de deskundige en de procedure moet dragen, maar dat heeft zij niet nader toegelicht. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af, te meer nu het ook in het belang van de vrouw is dat de waarde van de aandelen is vastgesteld. De rechtbank begrijpt uit het als bijlage 3 aan de akte van de man gehechte overzicht dat hij naast de kosten van de deskundige ook de kosten van de gezamenlijke taxatie heeft voorgeschoten. Zij zal daarom bepalen dat de man deze mag verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen overbedelingsvergoeding voor de toedeling van de aandelen.
proceskosten
2.23.
Partijen moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
stelt de verdeling vast van de aandelen van partijen in [holding B.V.], in die zin dat deze aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van € 698.010, waarbij:
voor het geval gebruik kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit, rekening houdend met een latente (nominale) AB-claim van € 182.923, de man aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van (€ 698.010 - € 182.923) ÷ 2 = € 257.543,50 moet betalen bij de notariële levering van de aandelen aan hem, en
voor het geval geen gebruik kan worden gemaakt van de doorschuiffaciliteit, de man aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag van (€ 698.010 ÷ 2 =) € 349.005 moet betalen bij de notariële levering aan hem;
bepaalt dat de man zijn volledige medewerking dient te verlenen aan de notariële levering van de aandelen aan de hem, welke levering zal plaatsvinden door een door de man aan te wijzen notaris op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval binnen 3 maanden na betekening van deze beschikking en waarbij de notariskosten van die levering voor rekening komen van de man en door hem zullen worden voldaan;
bepaalt dat indien de notariële levering niet heeft plaatsgevonden binnen 3 maanden na betekening van deze beschikking, deze in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de man voor de notariële overdracht;
bepaalt dat de man de door hem voorgeschoten kosten van de deskundige en de gezamenlijke taxatie van het bedrijfspand [naam] mag verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen overbedelingsvergoeding;
3.2.
bepaalt dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, en
3.3.
wijst de verzoeken voor het overige af
Dit is de beslissing van rechter mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, tot stand gekomen in samenwerking met griffier mr. N. Kum. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

2.Artikel 2:196 van het Burgerlijk Wetboek.