Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1874

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
25/4321
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:7 AwbArt. 2.5 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen niet tijdig beslissen handhavingsverzoek dierenwelzijn

Eiseres, Stichting House of Animals Foundation, heeft beroep ingesteld tegen verweerder, Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, wegens het niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek van 10 april 2025. Verweerder betwist dat zij een bestuursorgaan is en wijst op eerdere uitspraken waarin dit werd bevestigd.

De rechtbank onderzoekt of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hoewel verweerder een stichting is en dus privaatrechtelijk is opgericht, is de vraag of zij als bestuursorgaan kan worden aangemerkt vanwege het uitoefenen van openbaar gezag. De rechtbank concludeert dat verweerder geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om de rechtspositie van anderen eenzijdig vast te stellen, zoals het opleggen van bestuurlijke boetes, en dat deze bevoegdheid bij de Minister ligt.

Daarom is de schriftelijke reactie van verweerder geen besluit in de zin van de Awb en is er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en draagt op het betaalde griffierecht terug te storten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat verweerder geen bestuursorgaan is en wijst het beroep af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4312

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

de stichting Stichting House of Animals Foundation, gevestigd te Amsterdam, eiseres,
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en

de stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.E.M. van Beurden).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar handhavingsverzoek van 10 april 2025.
Verweerder heeft gereageerd op het beroepschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] en [B] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr.. F.C.P. Ternede namens verweerder en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Het beroep is ingediend bij de rechtbank Amsterdam, die het vervolgens heeft doorgestuurd naar de rechtbank Midden-Nederland. Deze laatste rechtbank is namelijk de bevoegde rechtbank om op het beroep van eiseres te beslissen. [1]
Is verweerder een bestuursorgaan?
2. Om te beginnen staat de rechtbank stil bij de vraag of verweerder een bestuursorgaan is in de zin van de Awb. Verweerder geeft aan dit niet te zijn en verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2025 [2] . Zij geeft aan niet aan de voorwaarden van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb te voldoen. Eiseres geeft aan tegen voornoemde uitspraak hoger beroep ingesteld te hebben. Zij is van mening dat verweerder wel een bestuursorgaan is en dat dit volgt uit een convenant, het briefpapier van verweerder en het feit dat verweerder door het ministerie gefinancierd wordt. Tevens wijst zij op het feit dat zij het handhavingsverzoek oorspronkelijk had gericht aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en dat deze het heeft doorgeleid aan verweerder. Als verweerder niet handhavend had mogen optreden, dan had zij het handhavingsverzoek terug moeten geleiden naar een bestuursorgaan dat dat wel kan en dat daarop in rechte aangesproken kan worden.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb kan bij de rechtbank alleen beroep worden ingesteld tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, genomen door een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Verweerder is namelijk een stichting en dus krachtens privaatrecht opgericht en niet krachtens publiekrecht ingesteld. Tussen partijen is wel in geschil of verweerder een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb.
5. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394, is uiteengezet wanneer sprake is van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens die bepaling is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon een bestuursorgaan als dat orgaan met openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, is een orgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan. Bij organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, kan zich evenwel een uitzondering op deze regel voordoen, waardoor die organen toch bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb zijn.
6. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van enig wettelijk voorschrift op grond waarvan aan verweerder of haar inspecteurs de bevoegdheid is toegekend om de rechtspositie van rechtssubjecten eenzijdig vast te stellen. Op grond van de Wet Dieren en het daarbij behorende Besluit aanwijzing toezichthouders Wet Dieren is verweerder “slechts” toezichthouder en komt de bevoegdheid om de rechtspositie van een rechtssubject vast te stellen, bijvoorbeeld door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete, toe aan de Minister. Een schriftelijke reactie van verweerder op het verzoek van eiseres is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb. Er is daarom geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Overigens heeft verweerder tijdens de zitting laten weten dat het bericht van 26 juni 2025 aan eiseres, waarin verweerder haar informeert het handhavingsverzoek in behandeling is genomen, ten onrechte is verstuurd. Daarvoor heeft ze haar excuses aangeboden. De rechtbank is gelet op het voorgaande onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025 draagt de rechtbank de griffier op het door eiseres betaalde griffierecht terug te storten.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. van de Biesebos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
9 april 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Voetnoten

1.Artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).