Eiser heeft op 16 januari 2025 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder over veterinaire programma’s in dierentuinen. Verweerder ontving het verzoek diezelfde dag en moest volgens de wet binnen vier weken beslissen. Deze termijn is meerdere malen verlengd, waarbij verweerder stelde uiterlijk 1 november 2025 te zullen beslissen. Eiser ging hier niet mee akkoord en stelde een kortere termijn van twee weken. Verweerder heeft echter niet binnen deze termijn beslist.
Eiser heeft verweerder op 18 september 2025 in gebreke gesteld en vervolgens op 3 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn heeft overschreden en verklaart het beroep gegrond. Tijdens de zitting gaf verweerder aan dat de omvang van de verzoeken groot is en dat een langere termijn nodig is vanwege de complexiteit en het aantal documenten.
De rechtbank oordeelt dat een termijn van twee weken onrealistisch is, maar acht vier weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn voor verweerder om alsnog een besluit te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen overige proceskosten toegekend.