ECLI:NL:RBMNE:2026:1880
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediend bezwaar parkeerbelasting
De heffingsambtenaar legde aan eiseres meerdere naheffingsaanslagen parkeerbelasting op wegens het parkeren zonder betaling op een gefiscaliseerde parkeerplaats. Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag van 21 juni 2022, maar diende dit bezwaar te laat in. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het ambtshalve ongegrond.
Eiseres stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank beperkte het geding tot de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2023 en oordeelde dat het beroep zich niet richtte op andere aanslagen. De rechtbank bevestigde dat de termijn voor het indienen van bezwaar een fatale termijn is en dat de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Eiseres verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de redelijke termijn met ruim anderhalf jaar werd overschreden, bleef het financiële belang onder de bagatelgrens van € 1.000,-. De rechtbank besloot daarom het verzoek af te wijzen en volstond met de constatering van de termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en bepaalde dat eiseres geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaarde naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.