Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1884

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
16/080019-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervoer van harddrugs en bezit pistoolmitrailleur met munitie

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, geboren in 2003, die op 14 maart 2025 te Utrecht werd betrapt met 11,78 gram MDMA, 45,87 gram cocaïne, 6,48 gram heroïne, een pistoolmitrailleur en 148 kogelpatronen. De verdachte bekende de feiten, maar stelde dat hij onder dwang en bedreiging handelde. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen op basis van het dossier en telefoongesprekken die juist duidden op eigen initiatief van de verdachte bij de aanschaf van het wapen.

De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege de bijdrage aan de handel in harddrugs en het gevaar van het bezit van een automatisch vuurwapen. Het strafblad van de verdachte bevatte geen eerdere soortgelijke veroordelingen. De reclassering adviseerde toepassing van het volwassenenstrafrecht zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gelijk aan de eis van de officier van justitie.

De voorlopige hechtenis werd geschorst per 1 september 2025 en de rechtbank besloot het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, zodat de verdachte het hoger beroep in vrijheid kan afwachten. Het vuurwapen, de munitie en de drugs werden onttrokken aan het verkeer, terwijl het geld en een in beslag genomen telefoon aan de verdachte werden teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

ARECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/080019-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 7 april 2026. Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L.H.J. Verheijden;
  • de advocaat van de verdachte: mr. M. van Viegen (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 14 maart 2025 in Utrecht opzettelijk 11,78 gram MDMA, 45,87 cocaïne en 6,48 gram heroïne aanwezig heeft gehad/vervoerd/afgeleverd/verstrekt/verkocht;
feit 2
op 14 maart 2025 in Utrecht een pistoolmitrailleur en 148 scherpe kogelpartronen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Bewijsmiddelen
De officier van justitie en de advocaat stellen zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd. De verdachte bekent ook dat hij de feiten heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 7 april 2026;
  • een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aantreffen van verdovende middelen;
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming; [3]
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming; [4]
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming; [5]
- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende onderzoek naar verdovende middelen; [6]
- een geschrift, te weten een NFI-rapport; [7]
- een geschrift, te weten een NFI-rapport; [8]
- een geschrift, te weten een NFI-rapport; [9]
- een geschrift, te weten een NFI-rapport; [10]
- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aantreffen vuurwapen en munitie; [11]
- een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming; [12]
- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende onderzoek naar wapen en munitie. [13]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.2.
Bewijsoverweging
Het dossier bevat drie kennisgevingen van inbeslagneming waarin een goednummer is gekoppeld aan de bij de verdachte aangetroffen en in beslag genomen verdovende middelen. Op die manier staat vast dat de 11,78 gram MDMA en 45,87 gram cocaïne die door het NFI zijn getest, bij de verdachte in beslag zijn genomen. Ten aanzien van de 6,48 gram heroïne die door het NFI is getest, ontbreekt een dergelijke kennisgeving van inbeslagneming. Desondanks stelt de rechtbank vast dat ook deze verdovende middelen bij de verdachte in beslag zijn genomen. De rechtbank legt uit waarom.
Uit het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het aantreffen van de verdovende middelen blijkt dat er in totaal 96 bolletjes met wit en bruin poeder bij de verdachte zijn aangetroffen (bij de verdachte op zak en op de achterbank van de auto). Uit het proces-verbaal van bevindingen inhoudende het onderzoek naar de verdovende middelen blijkt dat 74 van deze bolletjes wit poeder bevatten en positief op cocaïne testen. Uit ditzelfde proces-verbaal blijkt dat 22 van deze bolletjes bruin poeder bevatten en positief op heroïne testen. Aangezien het bij het onderzoek naar de verdovende middelen bij elkaar opgeteld ook om 96 bolletjes gaat, stelt de rechtbank vast dat de 22 onderzochte bolletjes heroïne (6,48 gram), de bolletjes bruin poeder zijn die bij de verdachte in beslag zijn genomen.
3.3.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 14 maart 2025 te Utrecht opzettelijk heeft vervoerd 11,78 gram MDMA, 45,87 gram cocaïne en 6,48 gram heroïne, zijnde MDMA, cocaïne en heroïne, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2op 14 maart 2025 te Utrecht een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Zastava, model M84 Skorpion, kaliber 7.65 mm (Browning), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 148 scherpe kogelpatronen, kaliber 7.65 mm (Browning), voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
4.2.
Strafbaarheid feit en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang – besproken in het oordeel van de rechtbank.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om een taakstraf op te leggen met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf. De standpunten van de raadsman worden – voor zover van belang – besproken in het oordeel van de rechtbank.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne, heroïne en
MDMA. De verdachte heeft hiermee een bijdrage geleverd aan de handel in en het gebruik van deze drugs. Het is algemeen bekend dat de handel in en het gebruik van harddrugs bezwarend zijn voor de samenleving vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit en de risico’s voor de volksgezondheid.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en 148 scherpe kogelpatronen. Het wapen en de munitie lagen opgeslagen in een garagebox onder de woning van de verdachte. Het ‘vrijelijk’ beschikken over vuurwapens door onbevoegden levert een maatschappelijk onaanvaardbaar groot risico op. Alleen al het tonen van een vuurwapen leidt tot grote angst bij degenen die ermee geconfronteerd worden. Daarom zijn vuurwapens bij uitstek geschikt om overvallen en berovingen te plegen en worden zij in het criminele circuit ook regelmatig gebruikt voor het plegen van dat soort feiten. Het behoeft geen toelichting dat dreigen met, laat staan het afvuren van een (semi-)automatisch vuurwapen leidt tot levensgevaarlijke situaties, ook voor omstanders. Het bezit van dergelijke wapens is dan ook onaanvaardbaar en dient zwaar bestraft te worden.
De verdachte heeft verklaard dat hij de drugs heeft vervoerd en het wapen heeft bewaard onder dwang en bedreiging. De raadsman heeft betoogd dat deze omstandigheden in strafverminderende zin moeten worden meegewogen. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte recent is bedreigd, is noch uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de verdachte de bewezen feiten heeft gepleegd onder dwang of bedreiging. Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte wijst veeleer op het tegendeel, namelijk dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de feiten zelf op zoek was naar een automatisch vuurwapen. De verdachte heeft verklaard dat de personen die hem bedreigden deze gesprekken op zijn telefoon hebben gevoerd, maar de rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig, gelet op de verschillende dagen en de uiteenlopende tijdstippen waarop deze gesprekken zijn gevoerd en hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van 13 januari 2026 van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het strafblad zal dan ook niet in strafverzwarende zin worden meegewogen.
Verder is er een reclasseringsrapport over de verdachte opgesteld op 30 maart 2026. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal dit doen, nu ook zij geen aanwijzingen ziet om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verder adviseert de reclassering om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De rechtbank neemt dit advies over en zal geen straf met bijzondere voorwaarden opleggen.
Strafkader
De rechtbank is op grond van de hiervoor besproken ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte van oordeel dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd. Anders dan de raadsman vindt de rechtbank een taakstraf niet passend, gelet op de ernst van de feiten. Daarnaast acht de rechtbank het vanuit het oogpunt van zowel speciale als generale preventie van groot belang dat in de strafoplegging tot uiting komt dat misdrijven als deze niet lonen en dat op het plegen daarvan een stevige reactie van de strafrechter volgt.
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. De oriëntatiepunten voor meerderjarigen voor de bewezenverklaarde feiten zijn voor het vervoeren van de drugs tussen de 150 en 200 uur taakstraf, voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en voor het voorhanden hebben van meer dan 100 kogelpatronen 50 uur taakstraf. Aangezien de rechtbank een taakstraf niet passend vindt, zal de rechtbank omgerekend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden tot uitgangspunt nemen.
De rechtbank is het met de raadsman en de officier van justitie eens dat het feit dat de verdachte zeven maanden lang met een enkelband met stevige vrijheidsbeperkende voorwaarden heeft rondgelopen, in strafverminderende zin moet meewegen. De officier van justitie heeft dit ook in haar eis meegewogen. Om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er ook voor om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 15 maanden op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Deze straf is gelijk aan de eis van de officier van justitie.
De voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst met ingang van 1 september 2025. Het uitgangspunt is dat iedereen zijn berechting in vrijheid moet kunnen afwachten, tenzij er argumenten zijn die voorlopige hechtenis noodzakelijk maken. De verdachte heeft met de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn berechting in vrijheid mogen afwachten en heeft er belang bij om ook de uitkomst van een eventueel hoger beroep in vrijheid af te mogen wachten. De rechtbank ziet op dit moment geen argumenten die (de opheffing van de schorsing van de) voorlopige hechtenis noodzakelijk maken. In het feit dat de verdachte - voor zover de rechtbank bekend - niet meer in beeld is gekomen bij de politie sinds hij in vrijheid is gesteld en de reclassering geen meerwaarde ziet in langer toezicht en begeleiding, ziet de rechtbank aanleiding om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Dit betekent dat de verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid mag afwachten.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Standpunten
De officier van justitie en de raadsman stellen zich beiden op het standpunt dat het vuurwapen, de munitie en de verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer en dat het geld terug kan naar de verdachte. De raadsman benoemt nog dat er nog een groene telefoon van de verdachte in beslag is genomen, maar nog niet terug is gegeven. De officier van justitie geeft aan dat die terug kan naar de verdachte.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het vuurwapen, de munitie en de verdovende middelen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Daarnaast zijn met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten begaan.
De rechtbank zal gelasten dat het geld terug wordt gegeven aan de verdachte, nu uit het dossier niet blijkt dat dit geld is verdiend met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal ook gelasten dat de groene telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte, nu op de zitting is gebleken dat die telefoon terug kan naar de verdachte, maar dit nog niet is gebeurd.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.3 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat
  • stelt daarbij een
beslag
- verklaart de volgende voorwerpen
onttrokken aan het verkeer:
o 18 STK Verdovende Middelen (G3496881);
o 8 STK Verdovende Middelen (G3496874);
o 60 STK Cocaïne (G3496872);
o 18 STK Verdovende Middelen (G3496864);
o 96 STK Cocaine (G3496878);
o 1 STK Pistool (G3497132);
o 1 COL Munitie (G3497138);
o 1 COL Munitie (G3497143);
- gelast de
teruggave aan de verdachtevan de volgende voorwerpen:
o € 618,55 (G3497968);
o Groene Apple iPhone (G3496897);
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kiestra als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij, op of omstreeks 14 maart 2025, te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 11,78 gram, in elk geval een hoeveelheid van eeen materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 45,87 gram, in elk geval een hoeveelheid van eeen materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 6,48 gram, in elk geval een hoeveelheid van eeen materiaal bevattende heroïne,
zijnde MDMA en/of cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2hij, op of omstreeks 14 maart 2025, te Utrecht, althans in Nederland,
- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Zastava, model M84 Skorpion, kaliber 7.65 mm (Browning), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of
- een hoeveelheid munitie van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten 148 scherpe kogelpatronen, kaliber 7.65 mm (Browning), voorhanden heeft gehad.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025081030, doorgenummerd pagina 1 tot en met 295. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 19 e.v.
3.Pagina 202.
4.Pagina 204.
5.Pagina 205.
6.Pagina 1 e.v. aanvullend proces-verbaal 250315-776-457.
7.Pagina 71.
8.Pagina 72.
9.Pagina 73.
10.Pagina 74.
11.Pagina 34 e.v.
12.Pagina 209 e.v.
13.Pagina 111 e.v.