ECLI:NL:RBMNE:2026:189

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/5732 en UTR 24/5735
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 2.8 WnbArt. 2.9 WnbArt. 8.1 WnbArt. 6 lid 3 Habitatrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging beheerplannen Natura 2000-gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone en Deltawateren

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 januari 2026 uitspraak gedaan over de beroepen van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels tegen de verlenging van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone en Deltawateren voor de periode 2022-2028.

Eiseres betwistte de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen niet-vergunningplichtige activiteiten (categorie 4) en stelde dat voor vergunningvrije activiteiten die in het beheerplan zijn opgenomen een passende beoordeling vereist is. Daarnaast voerde zij aan dat voor vergunningvrije maar vrijgestelde activiteiten (categorie 2) een nieuwe passende beoordeling noodzakelijk is bij verlenging.

De rechtbank oordeelt dat tegen categorie 4-activiteiten geen rechtsmiddelen openstaan omdat deze activiteiten niet vergunningplichtig zijn en dat de opname in het beheerplan hieraan niets verandert. Voor categorie 2-activiteiten is geen nieuwe passende beoordeling vereist bij verlenging, omdat de oorspronkelijke beoordeling nog steeds toereikend is en de vrijstellingen ongewijzigd blijven. De beroepen van eiseres worden ongegrond verklaard en de verlenging van de beheerplannen blijft in stand.

Uitkomst: De beroepen tegen de verlenging van de beheerplannen Natura 2000-gebieden worden ongegrond verklaard en de verlengingen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/5732 en UTR 24/5735

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels, gevestigd in Zeist, eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Dotinga),
en

de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. R.D. Reinders).
Partijen worden in deze uitspraak eiseres en de minister genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de verlenging van het tijdvak van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee, Noordzeekustzone en Deltawateren. Het gaat om de periode 2022-2028.
2. De minister heeft het tijdvak van het beheerplan voor het Natura 2000-gebied Deltawateren met het besluit van 17 november 2022 met zes jaar verlengd (het primaire besluit I). Met het besluit van 30 november 2022 heeft de minister de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone met zes jaar verlengd (het primaire besluit II). Eiseres is het niet eens met de besluiten tot verlenging van de beheerplannen en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
3. Met twee afzonderlijke besluiten van 11 juli 2024 (de bestreden besluiten) heeft de minister de bezwaren van eiseres gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De minister heeft de bestreden besluiten voorzien van een nadere motivering en de primaire besluiten I en II in stand gelaten. Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
4. De beroepen van eiseres zijn behandeld op de zitting van 5 november 2025. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [A] (senior beleidsmedewerker wetlands bij eiseres) en [B] (senior beleidsmedewerker Noordzee bij eiseres). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. L. Verhees (kantoorgenoot van zijn gemachtigde), bijgestaan door mr. L.M. Bosselaar-Modderkolk (juridisch adviseur bij Rijkswaterstaat), drs. [C] (senior adviseur ecologie bij [bedrijf] ) en drs. [D] (senior adviseur ecologie bij Rijkswaterstaat).
5. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Samenvatting

6. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht de bezwaren tegen de categorie 4-activiteiten niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder oordeelt zij dat de verlenging van het tijdvak van de beheerplannen geen nieuwe toestemming inhoudt in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en dat daarmee in het kader van de verlenging ook geen passende beoordeling gemaakt hoefde te worden. De bestreden besluiten kunnen daarom in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Achtergrond van de procedure

7. Natura 2000-gebieden zijn gebieden die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn moeten worden beschermd. Om de bescherming van de Natura 2000-gebieden te borgen wordt door het bevoegd gezag voor elk Natura 2000-gebied een beheerplan opgesteld. [1] Hierin staat welke natuurdoelen er voor het gebied gelden en hoe deze doelen kunnen worden gehaald. Voor het Natura 2000-gebied Deltawateren heeft de minister op 17 november 2016 een beheerplan opgesteld. Voor de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone heeft de minister op 13 december 2016 beheerplannen opgesteld. Een beheerplan wordt vastgesteld voor een tijdvak van ten hoogste zes jaar. Na afloop van deze periode kan het tijdvak één keer met een periode van zes jaar worden verlengd. [2]
8. In de Natura 2000-gebieden, vinden menselijke activiteiten plaats zoals recreatie, visserij of het uitvoeren van civiele werken. Menselijke activiteiten kunnen een nadelige invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, maar dit geldt niet voor elke activiteit en niet altijd in dezelfde mate. In de beheerplannen zijn de menselijke activiteiten daarom ingedeeld in vier verschillende categorieën. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar het effect van de activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het uitgangspunt is dat menselijke activiteiten de instandhoudingsdoestellingen in beginsel niet mogen aantasten. Als de menselijke activiteiten wel effect hebben op de instandhoudingsdoestellingen wordt aan de activiteit een vergunningplicht verbonden of wordt de activiteit beperkt met aanvullende voorwaarden of mitigerende maatregelen. De categorisering van activiteiten is hieronder weergegeven en geldt voor alle drie de beheerplannen waar het in deze zaak over gaat.
Categorie 1: Vrijgestelde vergunningplichtige activiteiten, zonder specifieke voorwaarden;
Categorie 2: Vrijgestelde vergunningplichtige activiteiten, met specifieke voorwaarden;
Categorie 3: Vergunningplichtige activiteiten die (afzonderlijk) vergunningplichtig blijven;
Categorie 4: Niet-vergunningplichtige activiteiten, wel mitigatie vereist.
Standpunten partijen
9. Het geschil tussen partijen valt uiteen in twee onderdelen. Tussen partijen is ten eerste in geschil of in het kader van de verlenging van de beheerplannen tegen de categorie 4-activiteiten rechtsmiddelen open staan. Volgens eiseres is haar bezwaar, gericht tegen de categorie 4-activiteiten ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld. Tussen partijen is verder in geschil of voor de categorie 2-activiteiten in het kader van de verlenging van de beheerplannen een actuele passende beoordeling moet worden uitgevoerd of dat de passende beoordeling die bij het vaststellen van de beheerplannen is opgesteld nog steeds als uitgangspunt kan gelden. Volgens eiseres moet een nieuwe passende beoordeling worden uitgevoerd en kunnen de door de minister uitgevoerde aanvullende ecologische beoordelingen niet volstaan. Daarin is volgens eiseres ten onrechte alleen vastgesteld dat de oorspronkelijke passende beoordeling de vrijgestelde activiteiten nog kan dragen.

Toetsingskader

10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet (de Aanvullingswet) in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet een ambtshalve te nemen besluit bekend is gemaakt, dan blijft op grond van artikel 2.9, derde lid, van de Aanvullingswet het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk is.
11. De besluiten tot het verlengen van het tijdvak van de beheerplannen zijn op 17 november 2022 en 30 november 2022 ambtshalve op grond van de Wnb genomen. De besluiten zijn bekend gemaakt voor inwerkingtreding van de Aanvullingswet en tegen deze besluiten staat beroep open. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft tot de besluiten onherroepelijk zijn.
12. Uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb volgt dat het verboden is om zonder vergunning een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere projecten wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Uit artikel 2.7, derde lid, van de Wnb volgt dat een vergunning, zoals bedoeld in het tweede lid, uitsluitend kan worden verleend indien voldaan is aan het bepaalde in artikel 2.8 van de Wnb. In artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb is opgenomen dat voor een plan of een project een passende beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied.
13. Uit artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb volgt, kort samengevat, dat de vergunningplicht uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb niet geldt voor projecten die zijn beschreven in en worden gerealiseerd in overeenstemming met het beheerplan als:
voor het plan of programma een passende beoordeling is uitgevoerd waaruit de zekerheid wordt verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, en
het bestuursorgaan dat het plan of programma heeft vastgesteld ook bevoegd is voor de verlening van een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.
14. Uit artikel 8,1, tweede lid, van de Wnb volgt, kort samengevat, dat een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een beheerplan uitsluitend betrekking heeft op de beschrijvingen van projecten als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb.
15. In artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn staat dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Verder volgt uit het derde lid dat, gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, de bevoegde nationale instanties slechts toestemming geven voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep gericht tegen de categorie 4-activiteiten
16. Eiseres voert aan dat de minister haar bezwaren, gericht tegen de verlenging van de categorie 4-activiteiten in de beheerplannen, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens eiseres heeft de minister ten onrechte vastgesteld dat de categorie 4-activiteiten niet zijn aan te merken als een project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de categorie 4-activiteiten wel zijn aan te merken als een project, omdat significante gevolgen van deze activiteiten op de instandhoudingsdoestellingen van de Natura 2000-gebieden niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Door de minister is dit in het kader van de verlenging van de beheerplannen echter niet nader onderzocht. Met het vaststellen van de categorie 4-activiteiten in het beheerplan worden deze activiteiten niet-vergunningplichtig. Dit heeft volgens eiseres rechtsgevolg, omdat daarmee de categorie 4-activiteiten zonder vergunning en zonder passende beoordeling kunnen worden uitgevoerd. Met het aanwijzen van de categorie 4-activiteiten in het beheerplan heeft de minister dan ook beoogd om deze activiteiten uit te zonderen van de vergunningplicht. De aanwijzing van deze niet-vergunningplichtige activiteiten in het beheerplan is daarmee gelijk te stellen aan een positieve weigering. Er is daarom sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waar rechtsmiddelen tegen open staan.
17. Volgens de minister is in het kader van de verlenging van de beheerplannen niet van belang of de categorie 4-activiteiten als een project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn kunnen worden aangemerkt. Voor de categorie 4-activiteiten is uitsluitend van belang dat het niet-vergunningplichtige activiteiten zijn, omdat deze activiteiten geen significant verstorend effect hebben in de aangewezen Natura 2000-gebieden. Dit wijzigt niet door de categorie 4-activiteiten in het beheerplan op te nemen. Het gaat immers om activiteiten die niet-vergunningplichtig zijn en dat ook blijven. De minister heeft door de opname van deze categorie 4-activiteiten in het beheerplan dan ook niet beoogd om deze activiteiten aan te wijzen als niet-vergunningplichtig. In dat kader wijst de minister erop dat voor de categorie 4-activiteiten bij het vaststellen van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden geen passende beoordeling is opgesteld, terwijl dit voor activiteiten die in het beheerplan worden vrijgesteld van de vergunningplicht op grond van artikel 2.9 van de Wnb, wel vereist is. Met de verlenging van de categorie 4-activiteiten in de beheerplannen wijzigt de juridische status van deze activiteiten niet en ontstaat daarom ook geen rechtsgevolg. Eiseres kan tegen de categorie 4-activiteiten dan ook geen rechtsmiddelen instellen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de minister gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 april 2020. [3]
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de bestreden besluiten terecht vastgesteld dat het bezwaar van eiseres gericht tegen de categorie 4-activiteiten, niet-ontvankelijk is. De rechtbank kan het standpunt van de minister en de verwijzing naar de rechtspraak van de Afdeling volgen. Uit de door de minister aangehaalde uitspraak van de Afdeling volgt dat een beroep alleen inhoudelijk beoordeeld mag worden als dit is gericht tegen handelingen die in het beheerplan expliciet zijn beschreven als handelingen die de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen, en die daardoor zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Dit betekent dat alleen beroep open staat tegen activiteiten die in beginsel vergunningplichtig zijn, maar die na een passende beoordeling en door opname in het beheerplan vergunningvrij zijn geworden. Dit volgt ook zo uit het bepaalde in artikel 8.1, tweede lid en artikel 2.9, eerste lid, van de Wnb. De rechtbank overweegt dat de achtergrond hiervan is dat de rechtsbescherming die normaal gesproken bestaat in het kader van het vergunningentraject, nu moet worden geboden in het kader van het vaststellen van het beheerplan. De mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen is dus afhankelijk van de vraag of de activiteit vergunningplichtig is. De vraag of de activiteit al dan niet is aan te merken als een project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn speelt daarbij geen rol.
19. De categorie 4-activiteiten waar eiseres tegen opkomt zijn niet vergunningplichtig, omdat deze activiteiten op zichzelf geen significant verstorend effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Dit volgt uit de voortoets en Nadere Effecten Analyse (NEA) die de minister bij het opstellen van de beheerplannen heeft uitgevoerd. De opname van de categorie 4-activiteiten in de beheerplannen wijzigt dit niet. Omdat de categorie 4-activiteiten geen significant verstorend effect hebben geldt voor deze activiteiten op grond van de Wnb geen vergunningplicht, zodat daarvan in het beheerplan ook geen vrijstelling kan worden verleend. Als eiseres het niet eens is met de indeling van activiteiten in de categorieën, dan had zij daar bij het opstellen van het beheerplan rechtsmiddelen tegen kunnen instellen. Dat heeft eiseres niet gedaan. In het kader van de verlenging van het tijdvak van de beheerplannen ontstaat naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsgevolg ten aanzien van de categorie 4-activiteiten. De beroepsgrond van eiseres slaagt daarom niet.
20. Dit betekent dat het beroep van eiseres gericht tegen de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar ongegrond is en dat de rechtbank de overige beroepsgronden gericht tegen de categorie 4-activiteiten dus niet inhoudelijk beoordeelt.
Het beroep gericht tegen de categorie 2-activiteiten
21. Door de verlenging van de beheerplannen wordt ook de vrijstelling voor de categorie 2-activiteiten in de beheerplannen verlengd. In de bezwaarprocedures heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in het kader van deze verlenging moet worden beoordeeld of significante gevolgen door categorie 2-activiteiten op de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Deze beoordeling kan gebaseerd worden op de passende beoordeling die is uitgevoerd bij het vaststellen van het beheerplan, maar dit is alleen mogelijk als:
I. die beoordeling definitieve conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel wegnemen (voorwaarde i);
II. de relevante milieu- en wetenschappelijke gegevens niet zijn veranderd (voorwaarde ii);
III. het/de project(en) zelf niet is/zijn gewijzigd (voorwaarde iii); en
IV. er geen andere plannen of projecten zijn waarmee, in het kader van cumulatieve beoordeling, rekening moet worden gehouden (voorwaarde iv)
Deze voorwaarden volgen uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 9 september 2020. [4] Eiseres onderschrijft dat deze voorwaarden van toepassing zijn bij beoordeling van de vraag of een nieuwe passende beoordeling voor de categorie 2-activiteiten moet worden uitgevoerd.
22. In de bestreden besluiten heeft de minister vastgesteld dat niet aan deze voorwaarden uit het arrest van het Hof van Justitie is voldaan. De minister heeft daarom in een nadere ecologische beoordeling onderzocht of de vrijgestelde activiteiten significante gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Deze nadere beoordelingen zijn als bijlagen bij de bestreden besluiten gevoegd. Daarin zijn de categorie 2-activiteiten beoordeeld naar de aard en omvang zoals die gold ten tijde van de vaststelling van de beheerplannen. Op basis van dit nader onderzoek heeft de minister de verlenging van de vrijstelling van de categorie 2-activiteiten in stand gelaten.
23. Eiseres voert hiertegen aan dat de herbeoordeling van de vrijstellingen ten onrechte uitsluitend is gebaseerd op het feitelijk gebruik ten tijde van de vaststelling van de beheerplannen. In de herbeoordeling zijn veranderingen in de aard, omvang, locatie, intensiteit en tijd nadrukkelijk niet meegenomen. Volgens eiseres is op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie juist wel vereist dat bij de verlenging de vrijstelling wordt beoordeeld naar de actuele aard en omvang. Voor gebruikers van de vrijstellingen moet immers duidelijk zijn in welke vorm en welke omvang de activiteit nog is vrijgesteld van de vergunningplicht. Hier is geen sprake van een bestaande activiteit waarvoor een individuele vergunning is verleend, maar een verlenging van beheerplannen waarin een groot aantal vergunningvrije activiteiten is opgenomen die kwalificeert als toestemming voor betrokken activiteiten in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn. Hier is geen sprake van een ongewijzigde voortzetting van activiteiten, omdat de projecten zijn gewijzigd in aard, omvang, locatie of intensiteit (bijvoorbeeld vanwege een grote toename van het aantal gebruikers). Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres de contra-expertise ‘Expertoordeel verlengingsbesluiten beheerplannen Delta, Waddenzee, Noordzeekustzone 2024’ van [deskundige] overgelegd.
24. In zijn verweerschrift en op de zitting heeft de minister ten aanzien van de verlenging van de categorie 2-activiteiten een gewijzigd standpunt ingenomen. De minister stelt zich ten aanzien van deze activiteiten nu primair op het standpunt dat in het kader van de wettelijke verlengingsmogelijkheid van de beheerplannen geen nieuwe passende beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Volgens de minister gelden de verleende vrijstellingen gedurende het volledige tijdvak van het beheerplan, inclusief de wettelijke mogelijkheid tot verlenging daarvan. Ter onderbouwing hiervan wijst de minister op de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 februari 2024. [5] Deze uitspraak was al wel gedaan ten tijde van de bestreden besluiten, maar nog niet ten tijde van het advies van de bezwarencommissie waarin voor een nadere passende beoordeling wordt gepleit. De minister stelt zich subsidiair op het standpunt dat de nadere passende beoordeling de verlenging van de vrijstellingen wel kan dragen en verwijst hiervoor naar de aanvullende motivering in de bestreden besluiten.
25. De rechtbank oordeelt dat de verlenging van de beheerplannen voor de categorie 2-activiteiten geen nieuwe toestemming inhoudt in de zin van artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn en dat daarmee in het kader van de verlenging ook geen nieuwe passende beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. De rechtbank is met de minister van oordeel dat door de besluiten tot verlenging van het tijdvak van de beheerplannen niets verandert aan de vrijstellingen van de vergunningplicht, die zijn neergelegd in de beheerplannen van 2016. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van 18 december 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [6] . In die uitspraak legt de Afdeling uit dat bij een ongewijzigde voortzetting van een eerder toereikend passend beoordeeld project in beginsel geen nieuwe beoordelingsverplichting bestaat. Hetzelfde heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden voor de beoordeling van de onderhavige beheerplannen. Er is dus geen nieuwe toestemming vereist, als bedoeld in artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn. Daarbij geldt voor zover hier van belang, dat de beoordeling van de significante effecten van de categorie 2-activiteiten bij het vaststellen van het beheerplan is uitgevoerd. Deze beoordeling beperkt zich niet tot het tijdvak van maximaal zes jaar waarvoor het beheerplan in eerste instantie is vastgesteld, maar geldt voor het gehele tijdvak waarin het beheerplan in werking is en dus ook voor de periode waarvoor het tijdvak is verlengd. Gedurende het hele tijdvak zijn de categorie 2-activiteiten vrijgesteld van de vergunningplicht en mogen deze activiteiten, onder voorwaarden, worden voortgezet in omvang en intensiteit zoals deze plaatsvonden ten tijde van het vaststellen van het beheerplan. De minister heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid, zoals bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van de Wnb, om aan de verleende vrijstellingen een beperkte geldigheidsduur te verbinden. Dit brengt met zich dat voor de vrijstellingen in het kader van de verlenging van de beheerplannen geen nieuwe passende beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Een ander uitgangspunt zou ertoe leiden dat de verlenging van een beheerplan een nieuw beoordelingsmoment wordt. Daarmee wordt de mogelijkheid tot verlenging van het beheerplan zinledig. Als de omvang en intensiteit van de vrijgestelde activiteiten gedurende het tijdvak van het beheerplan toch wijzigt, dan komt de vrijstelling te vervallen. Dit volgt ook nadrukkelijk zo uit het beheerplan. Het staat eiseres, maar ook anderen, vrij om een handhavingsverzoek in te dienen als vrijgestelde activiteiten in omvang en intensiteit toenemen en daardoor niet meer binnen de omvang van de vrijgestelde activiteit in het beheerplan vallen. In dat geval is het mogelijk om tot wijziging van het beheerplan over te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor de verlenging van de categorie 2-activiteiten geen nieuwe passende beoordeling vereist is.
26. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het primaire standpunt van de minister volgt. De beroepsgronden van eiseres, gericht tegen de verlenging van de categorie 2-activiteiten, slagen niet. De minister heeft het gewijzigde primaire standpunt eerst in het verweerschrift ingenomen. In zoverre bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal dit geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht passeren. Niet is gebleken dat eiseres door dit gewijzigde standpunt is benadeeld nu de minister het gewijzigde standpunt op zitting heeft toegelicht en eiseres in de gelegenheid is gesteld om daarop te reageren. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de beroepsgronden van eiseres gericht tegen het subsidiaire standpunt van de minister. Dit betekent dat de rechtbank ook niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de aanvullende ecologische beoordelingen die de minister als bijlage bij de bestreden besluiten heeft gevoegd.

Conclusie en gevolgen

27. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de verlenging van de beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden Deltawateren, Waddenzee en Noordzeekustzone ongewijzigd in stand blijven.
28. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van proceskosten, bestaande uit de gemaakte kosten voor het opstellen van een contra-expertise door [deskundige] ter hoogte van € 3.319,03. De rechtbank ziet ondanks het passeren van het geconstateerde gebrek geen aanleiding om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan omdat de contra-expertise die eiseres heeft laten opstellen geen verband houdt met het in beroep gewijzigde standpunt van de minister over de verlenging van de categorie 2-activiteiten in de beheerplannen. Wel moet de minister aan eiseres het griffierecht in beide zaken in totaal € 742,- (€ 371,- per zaak) vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 742,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. S.C.A. van Kuijeren, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 2.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb).
2.Dit volgt uit artikel 2.3, vierde lid, van de Wnb.
4.ECLI:EU:C:2020:680 (Friends of the Irish Environment).
6.ECLI:NL:RVS:2024:4923, r. 18.5 e.v.