ECLI:NL:RVS:2024:4923
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Wijziging rechtspraak over intern salderen bij natuurvergunningplicht en passende beoordeling
De zaak betreft Rendac Son B.V. die een natuurvergunning aanvraagt voor wijziging van haar destructiebedrijf. Het college verleende de vergunning op basis van intern salderen, waarbij werd vastgesteld dat de stikstofdepositie niet toenam ten opzichte van een referentiesituatie uit een eerdere vergunning. De rechtbank vernietigde deze vergunning wegens een nuancering van de rechtspraak over intern salderen, gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijzigt in deze uitspraak haar rechtspraak over intern salderen. Voortaan mag intern salderen niet worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning nodig is (de voortoets), maar wel als mitigerende maatregel in de passende beoordeling. Dit betekent dat bij de vergunningplichtstoets de gevolgen van het project op zichzelf moeten worden beoordeeld zonder vergelijking met de referentiesituatie.
De Afdeling bespreekt ook de voorwaarden waaronder intern salderen als mitigerende maatregel kan worden ingezet, waaronder het additionaliteitsvereiste, en de omvang van de referentiesituatie. Tevens wordt een overgangsperiode van vijf jaar ingesteld voor activiteiten gestart tussen 2020 en 2025, waarin niet handhavend kan worden opgetreden tegen het ontbreken van een natuurvergunning.
De uitspraak heeft grote gevolgen voor lopende en toekomstige natuurvergunning- en handhavingsprocedures en leidt tot een striktere toetsing van vergunningplicht en passende beoordeling bij projecten met stikstofdepositie.
Uitkomst: De natuurvergunning voor Rendac wordt vernietigd en het college moet het project opnieuw beoordelen volgens het gewijzigde kader over intern salderen.