Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, gelegen op een kavel van 1690 m², met een gebruiksoppervlakte van 197 m². De heffingsambtenaar had de waarde voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op €1.292.000,-. Eiser stelde een lagere waarde van maximaal €1.200.000,- voor.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde wordt bepaald op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt vastgesteld aan de hand van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rondom de waardepeildatum. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin drie referentiewoningen werden vergeleken. De rechtbank achtte deze referentiewoningen goed bruikbaar en vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen.
Eiser voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de eigen verkoopprijs van de woning in februari 2021 van €1.030.000,-, maar de rechtbank oordeelde dat deze verkoop te ver van de waardepeildatum lag om als directe maatstaf te dienen. De door eiser gehanteerde indexering was te algemeen en niet specifiek voor het marktsegment. De rechtbank volgde het standpunt van de taxateur dat de markt grillig was en dat het eigen verkoopcijfer niet de economische waarde op de waardepeildatum weerspiegelt.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de WOZ-waarde gehandhaafd. Er werd geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toegekend.