Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kap woning te Assen, waarvan de WOZ-waarde per 1 januari 2015 is vastgesteld op €241.000. Na een bezwaarprocedure en een ongegrond verklaard beroep bij de rechtbank, is hoger beroep ingesteld tegen deze waarde.
Tijdens het hoger beroep ontstond twijfel over de bevoegdheid van de heffingsambtenaar die de beschikking had vastgesteld en die gemachtigde ter zitting was. Het Hof stelde vragen aan het college van burgemeester en wethouders van Assen en ontving onduidelijke stukken over de aanwijzing van de heffingsambtenaar, mede vanwege een samenwerking tussen gemeenten. Hierdoor kon het Hof geen rechtsgeldige aanwijzing vaststellen en sloeg het geen acht op de verklaringen van de gemachtigde.
Inhoudelijk oordeelde het Hof dat de heffingsambtenaar met een taxatierapport en een vergelijkingsmatrix voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het referentieobject was vergelijkbaar en correct geïndexeerd. Ook het aankoopbedrag van belanghebbende uit 2013 lag in lijn met de vastgestelde waarde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen identieke objecten waren aangetoond met een lagere WOZ-waarde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.