ECLI:NL:RBMNE:2026:191

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/5247
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 AwbArt. 8:41 AwbArt. 2.5 procesreglement bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht bij beëindiging Ziektewetuitkering

Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering door het Uwv. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank. De rechtbank behandelde het beroep op 20 januari 2026, waarbij eiser en de gemachtigde van het Uwv aanwezig waren.

De rechtbank stelde vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Ondanks herinneringen, waaronder een aangetekende brief die niet werd afgehaald, en een gewone brief met een nieuwe termijn, bleef betaling uit. Eiser gaf aan dat hij door een vergissing dacht dat het om een reeds voldane nota ging en betaalde het griffierecht later alsnog.

De rechtbank oordeelde dat deze vergissing onvoldoende was om het verzuim te verontschuldigen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om tijdig te betalen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en kon het beroep niet inhoudelijk worden behandeld. Het te laat betaalde griffierecht werd aan eiser terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5247

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn)

Inleiding

1. Met het besluit van 5 november 2024 heeft het Uwv de Ziektewetuitkering van eiser beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 14 augustus 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep bij de rechtbank ingesteld. Eiser voert aan dat de verzekeringsarts van het Uwv zijn medische situatie heeft onderschat.
2. De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2025 op een zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van het Uwv hebben aan de zitting deelgenomen.
3. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering daarvan vermeldt de rechtbank in dit proces-verbaal.

Beslissing

4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

5. De indiener van een beroepschrift is griffierecht verschuldigd. [1] De griffier verstuurt aan de indiener van een beroepschrift een nota waarin een termijn van vier weken wordt gesteld voor de betaling van het griffierecht. Wanneer het griffierecht niet binnen vier weken na de dag van verzending van de nota is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of is betaald op de griffie van de rechtbank, is het beroep niet-ontvankelijk. [2] Alleen in gevallen waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest, wordt het beroep inhoudelijk behandeld.
6. De griffier heeft op 16 september 2025 een griffienota met een betalingstermijn van vier weken verzonden aan eiser. Op 15 oktober 2025 heeft de griffier aan eiser per aangetekende post een herinneringsnota gestuurd. Hierin is nogmaals een termijn van vier weken gesteld om het griffierecht te voldoen. De aangetekende brief is door eiser niet afgehaald en daardoor retour gekomen. De griffier heeft de herinneringsnota daarom op 13 november 2025 per gewone post aan eiser verstuurd met een nieuwe betalingstermijn van twee weken. [3] Het griffierecht is niet binnen deze termijn betaald.
7. Eiser heeft op 8 december 2025 toegelicht dat hij het griffierecht niet tijdig heeft betaald door een vergissing. Het bedrag aan griffierecht kwam overeen met het griffierecht dat eiser eerder had betaald voor zijn voorlopige voorziening. Eiser nam vanwege zijn moeilijke situatie en het vele papierwerk aan dat het om dezelfde nota ging en dat deze reeds was voldaan. Verder heeft eiser aangegeven dat hij het griffierecht alsnog heeft betaald.
8. De rechtbank is van oordeel dat het niet op tijd betalen van het griffierecht in het geval van eiser niet verschoonbaar is. Alhoewel de rechtbank begrip heeft voor de moeilijke situatie van eiser en begrijpt waar de vergissing vandaan komt, is wat eiser aanvoert onvoldoende om aan te nemen dat eiser niet in verzuim is geweest. Hierbij betrekt de rechtbank dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om te zorgen voor de tijdige betaling van het wettelijk verschuldigde griffierecht in elke procedure bij de rechtbank. De rechtbank merkt daarnaast nog op dat de herinneringsnota per gewone post is verzonden aan eiser nadat uitspraak was gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening en waarvoor eiser het griffierecht al had betaald. Het komt voor eigen rekening en risico als eiser dan, zonder navraag te doen, er vanuit gaat dat de herinneringsnota op de voorlopige voorziening betrekking heeft. Dat het griffierecht in de beroepszaak later alsnog is betaald, maakt dit niet anders. Deze betaling vond immers ruim buiten de gestelde termijn plaats.
9. Het voorgaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 14 augustus 2025 niet inhoudelijk kan behandelen aan de hand van de door eiser ingediende beroepsgronden.
10. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, vanwege het niet tijdig betalen van het griffierecht, betaalt de griffier het na de termijn betaalde griffierecht aan eiser terug. [4] Het gaat om een bedrag van € 53,-.
11. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026 door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:41, vijfde en zesde lid, van de Awb.
3.Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Awb.
4.Artikel 2.5, zesde lid, van het procesreglement bestuursrecht.