Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 26 februari 2026 in gebreke is gesteld. Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog een besluit moet nemen. Daarbij sluit de rechtbank zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch acht. In dit geval betekent dat dat verweerder uiterlijk op 9 maart 2027 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en uitgesproken op 24 april 2026.