Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks een eerdere rechterlijke termijnstelling op 9 juli 2025. De rechtbank constateert dat de wettelijke beslistermijn ruimschoots is verstreken en dat verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt. In deze zaak zijn meer dan zestig weken verstreken, waardoor verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De rechtbank acht een hogere dwangsom niet nodig vanwege het ontbreken van weigerachtigheid en het tekort aan menskracht bij verweerder.