De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 april 2026 het verzoek van ouders om het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen te herstellen. De kinderen staan sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en zijn sinds 2020 uit huis geplaatst. Het gezag van de moeder is in juni 2023 beëindigd en de GI is benoemd tot voogd, een beslissing die door het hof is bekrachtigd.
De ouders stelden dat hun financiële situatie was gestabiliseerd, zij persoonlijke ontwikkelingen hadden doorgemaakt en dat zij constructief contact hadden met de kinderen en jeugdzorg. De rechtbank oordeelde echter dat de persoonlijke problematiek van de ouders, waaronder verstandelijke beperkingen en gebrek aan sensitiviteit, niet was verbeterd. Dit bleek uit een NIFP-onderzoek dat concludeerde dat de ouders onvoldoende in staat zijn een veilig opvoedklimaat te bieden.
De omgang met de kinderen is beperkt en er zijn zorgen over het gedrag van de ouders tijdens omgangsmomenten. Ook verloopt de samenwerking met jeugdzorg moeizaam. De rechtbank concludeerde dat herstel van het gezag niet in het belang van de kinderen is en dat de ouders niet duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kunnen dragen. Het verzoek tot herstel van het gezag werd daarom afgewezen.