Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2085

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/16/606076 / FO RK 26-83
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:277 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herstel ouderlijk gezag wegens onveranderde persoonlijke problematiek ouders

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 2 april 2026 het verzoek van ouders om het ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen te herstellen. De kinderen staan sinds 2019 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en zijn sinds 2020 uit huis geplaatst. Het gezag van de moeder is in juni 2023 beëindigd en de GI is benoemd tot voogd, een beslissing die door het hof is bekrachtigd.

De ouders stelden dat hun financiële situatie was gestabiliseerd, zij persoonlijke ontwikkelingen hadden doorgemaakt en dat zij constructief contact hadden met de kinderen en jeugdzorg. De rechtbank oordeelde echter dat de persoonlijke problematiek van de ouders, waaronder verstandelijke beperkingen en gebrek aan sensitiviteit, niet was verbeterd. Dit bleek uit een NIFP-onderzoek dat concludeerde dat de ouders onvoldoende in staat zijn een veilig opvoedklimaat te bieden.

De omgang met de kinderen is beperkt en er zijn zorgen over het gedrag van de ouders tijdens omgangsmomenten. Ook verloopt de samenwerking met jeugdzorg moeizaam. De rechtbank concludeerde dat herstel van het gezag niet in het belang van de kinderen is en dat de ouders niet duurzaam de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kunnen dragen. Het verzoek tot herstel van het gezag werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag wordt afgewezen wegens onveranderde problematiek en niet in het belang van de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/606076 / FO RK 26-83
Herstel gezag
Beschikking van 2 april 2026
in de zaak van:
[de vader] (de vader),
en
[de moeder] (de moeder),
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
woonplaats: [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.C. Sneper,
tegen
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam [.] ,
hierna te noemen: de GI.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de ouders (met bijlagen), binnengekomen op 22 januari 2026;
  • het verweerschrift van de GI (met bijlagen), binnengekomen op 11 februari 2026;
  • het aangepaste verweerschrift van de GI (met bijlagen), binnengekomen op 18 februari 2026.
1.2
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de ouders en hun advocaat;
  • [A] namens de GI;
  • de pleegouders van [minderjarige 2 (voornaam)] .
1.3
De Raad voor de Kinderbescherming en de gezinshuisouder van [minderjarige 1 (voornaam)] hebben wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen, maar zijn niet naar de zitting gekomen
.
1.4
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1 (voornaam)] gevraagd wat zij van het verzoek vindt. [minderjarige 1 (voornaam)] heeft op 3 maart 2026 met de rechter gesproken.
1.5
De rechtbank heeft ook [minderjarige 2 (voornaam)] uitgenodigd om met de rechter te praten over de verzoeken, maar zij heeft niet met de kinderrechter gesproken. De GI heeft op 23 februari 2026 via een brief laten weten dat dit te belastend is voor [minderjarige 2 (voornaam)] .

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De kinderen van de ouders zijn:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] .
2.3.
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] staan sinds 19 juli 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] is na de eerste ondertoezichtstelling telkens verlengd, voor het laatst tot 19 juli 2023.
2.2
Sinds 29 april 2020 zijn [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] met een machtiging van de rechtbank uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna telkens verlengd, voort het laatst tot 29 juli 2023.
2.3
Bij beschikking van 22 juni 2023 is het gezag van de moeder over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] beëindigd en is de GI benoemd als voogd over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Deze beslissing is in de beschikking van 14 december 2023 door het hof bekrachtigd.
2.4
De ouders verzoeken de rechtbank primair om hen in het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te herstellen, een ondertoezichtstelling van een jaar in te stellen en te bepalen dat aan de ouders ambulante hulpverlening wordt geboden ter ondersteuning van de gefaseerde terugplaatsing van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Subsidiair verzoeken zij om de ouders te herstellen in het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
2.5
De GI is het niet eens met de ouders en wil dat hun verzoeken worden afgewezen.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1
De rechtbank zal de verzoeken van de ouders om hen in het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te herstellen, afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Wettelijk kader
3.2
De rechtbank kan een ouder wiens gezag is beëindigd op zijn of haar verzoek in het gezag herstellen als herstel van het gezag in het belang van de minderjarige is en de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen. [1]
Inhoudelijke beoordeling
3.3
De ouders hebben voor de onderbouwing van hun verzoek verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 oktober 2025 waarin de Hoge Raad in een zaak over de toeslagenaffaire heeft bepaald dat de overheid een positieve verplichting heeft tot het treffen van maatregelen om de ouders en het kind te herenigen. De rechtbank merkt hierover op dat de Hoge Raad in deze uitspraak ook heeft overwogen dat deze positieve verplichting moet worden afgewogen tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind. De Hoge Raad concludeerde in die zaak dat niet voorbijgegaan kan worden aan de zorgelijke situatie van het kind en de verzwaarde opvoedbehoefte en vond dat het hof terecht het verzoek van de moeder tot gezagsherstel heeft afgewezen. De rechtbank begrijpt dat ouders erkend slachtoffer van de toeslagenaffaire zijn, maar dat enkele feit betekent niet dat het gezag van de ouders hersteld moet worden. Dat volgt ook niet uit de uitspraak waar de advocaat van de ouders naar heeft verwezen. In tegendeel: bij de beoordeling van het verzoek van de ouders dient bekeken te worden of herstel van het gezag nu in het belang van deze meisjes is.
3.4
[minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] hebben een belast verleden. Zoals de rechtbank in haar eerdere beschikking van 22 juni 2023 heeft vastgesteld, zijn [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] in hun eerste levensjaren bedreigd in hun cognitieve, fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling en is er bij zowel [minderjarige 1 (voornaam)] als [minderjarige 2 (voornaam)] sprake van kindeigen problematiek. Hierdoor hebben beide meisjes een verzwaarde opvoedvraag hebben. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de ouders, gelet op hun eigen problematiek, niet in staat waren om te voorzien in de verzwaarde opvoedvraag van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Het lukte de ouders onvoldoende om goed aan te sluiten bij de kwetsbaarheden en specifieke opvoedbehoeften van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . De ouders stellen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden en vinden dat zij in het gezag over [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] hersteld moeten worden. Volgens de ouders is hun financiële situatie gestabiliseerd, hebben zij op persoonlijk vlak grote ontwikkelingen bereikt, is er sprake van constructieve omgang met [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] en verloopt de samenwerking met de jeugdzorg ook goed.
3.5
De rechtbank moet beoordelen of de door de ouders gestelde gewijzigde omstandigheden ertoe leiden dat wordt voldaan aan het wettelijk criterium om het gezag te herstellen. En dat is niet het geval. Anders dan de ouders hebben betoogd, is het volgens de rechtbank niet in het belang dat zij in het ouderlijk gezag over de kinderen worden hersteld en zijn zij niet in staat om duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te dragen. De rechtbank legt dit hierna verder uit en gaat in op de door de ouders gestelde wijzigingen, die de rechtbank bijna allemaal niet als zodanig erkent.
3.6
Ten aanzien van de financiële situatie van de ouders vindt de rechtbank dat de ouders dit, ondanks het ontbreken van ondersteunende stukken, tijdens de zitting voldoende hebben toegelicht. De rechtbank neemt van de ouders aan dat hun financiële situatie is verbeterd tot stabiel.
3.7
Dat de ouders zich op persoonlijk vlak hebben ontwikkeld, is echter niet gebleken. De ouders hebben dit enkel gesteld, maar gelet op het onderzoek van het NIFP vindt de rechtbank dit onvoldoende. Volgens dit onderzoek, dat ten tijde van de procedure beëindiging ouderlijk gezag is uitgevoerd, kampen de ouders met (blijvende) verstandelijke beperkingen en is er sprake van een gebrek aan sensitiviteit dat niet meer aan te leren is. De persoonlijke problematiek van de ouders lijkt hiermee niet voor verbetering vatbaar. Het enkele verstrijken van de tijd verandert de eerder vastgestelde problematiek van de ouders niet en de ouders hebben ook niet op een andere manier laten zien dat er nu geen sprake meer zou zijn van deze problematiek. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat volgens het NIFP de ouders ook met opvoedondersteuning onvoldoende in staat zijn om een veilig en goed opvoedklimaat voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] te creëren. De hulpverlening waarover de advocaat van de ouders spreekt, overigens niet onderbouwd of nader bepaald, zal de situatie daarom evenmin verbeteren.
3.8
Over de omgang constateert de rechtbank dat deze tot nu toe is beperkt tot tweewekelijks een omgangsmoment van tweeënhalf uur met [minderjarige 1 (voornaam)] en maandelijks een omgangsmoment van anderhalf uur met [minderjarige 2 (voornaam)] . Uit de door de GI overlegde verslagen blijkt dat er zorgen zijn rondom de omgangsmomenten. Zo heeft de vader bijvoorbeeld tegen [minderjarige 2 (voornaam)] gezegd dat hij sandalen niet mooi vindt, terwijl [minderjarige 2 (voornaam)] sandalen droeg. Toen de GI hierover met de vader in gesprek ging, gaf hij aan dat hij het recht had om dit te zeggen. Volgens hem heeft [minderjarige 2 (voornaam)] hier geen besef bij, maar volgens de pleegouders is zij hier wel bij hen op terug gekomen. De vader lijkt hiermee niet te begrijpen wat zo’n opmerking met [minderjarige 2 (voornaam)] kan doen en wat in haar belang is.
3.9
Verder ziet de rechtbank dat de samenwerking met de jeugdzorg ook niet goed verloopt. De ouders hebben een klacht ingediend tegen de huidige jeugdbeschermer, omdat zij het niet eens waren met de jeugdbeschermer. Hierdoor moet er een nieuwe jeugdbeschermer voor [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] komen. Deze wisseling acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] .
3.1
De ouders wensen herstel in het ouderlijk gezag, omdat zij ook willen toewerken naar thuisplaatsing. Maar dat is niet het belang van [minderjarige 1 (voornaam)] en [minderjarige 2 (voornaam)] . Hun perspectief is elders bepaald. En het is in hun belang dat hierover nu ook geen onduidelijkheid bestaat of ontstaat. Door deze procedure gebeurt dat nu alsnog. Er is tijd verstreken maar daarmee worden de problemen die bij de ouders zelf en in hun contact met de kinderen zijn gezien niet opeens minder, die blijven gelijk. Hierbij weegt mee dat deze kinderen een zeer verzwaarde opvoedvraag hebben. De ouders kunnen de kinderen vanwege hun eigen problematiek niet bieden wat ze nodig hebben. Zij kunnen geen beslissingen in het belang van de kinderen nemen. Een voorbeeld hiervan is de beugel van [minderjarige 1 (voornaam)] . Ondanks aanbevelingen van medische professionals, zien de ouders niet in dat een beugel voor [minderjarige 1 (voornaam)] echt noodzakelijk is. Zij geven aan dat [minderjarige 1 (voornaam)] geen beugel wil en volgen haar dan daarin. Zij begrijpen niet dat een ouder soms een beslissing moeten nemen voor een kind ongeacht of het kind het daar wel of niet mee eens is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
wijst de verzoeken van de ouders af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechters, in samenwerking met mr. E.J.W. van der Linden–van der Heide, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:277 lid 1 jo Pro. artikel 1:247 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)