ECLI:NL:RBMNE:2026:209

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/16/604768 / JE RK 25-1958
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in weekendpleeggezin

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige gedurende een weekend per veertien dagen in een pleeggezin waar het kind eerder verbleef. De ouders zijn het eens met het verzoek, maar geven de voorkeur aan een vrijwillige regeling zonder machtiging. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is vanwege het belang van de verzorging en opvoeding van het kind.

De kinderrechter baseert zich op de criteria van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, waarbij het verblijf met een verplicht karakter wordt gekwalificeerd. De vader is mantelzorger voor de moeder, die lijdt aan progressieve MS en cerebrale parese, en heeft een zware zorglast voor het kind. Het pleeggezin draagt de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding tijdens het verblijf, en de GI is betrokken bij de plaatsing en het toezicht.

De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 11 juli 2026 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt dat de uithuisplaatsing beperkt blijft tot een weekend per twee weken, wat aansluit bij de wensen van de ouders en het belang van het kind en het gezin.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleeggezin voor een weekend per twee weken tot 11 juli 2026, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/604768 / JE RK 25-1958
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [plaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
hierna samen te noemen de ouders,
advocaat mr. E.J. Coxon.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 17 december 2025, ontvangen op 29 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders met hun advocaat;
- [A] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 juli 2026.
2.4.
[minderjarige] heeft op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 augustus 2025 tot 8 november 2025 in een pleeggezin verbleven. Sindsdien woont ze weer bij haar ouders.

3.Het verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het is de bedoeling dat [minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag in het pleeggezin verblijft waar ze eerder in de periode van augustus tot november 2025 heeft verbleven. De GI meent dat een machtiging nodig is op grond van de wet omdat er een ondertoezichtstelling loopt. Verder is het belangrijk dat het pleeggezin een vergoeding van de gemeente ontvangt en begeleiding krijgt van de pleegzorgorganisatie.

4.Het standpunt van de ouders

De ouders zijn het eens met het verzoek, in die zin dat zij graag willen dat [minderjarige] om het weekend gaat logeren in het pleeggezin. De ouders zouden dit liever binnen een vrijwillig kader doen, dus zonder een machtiging tot uithuisplaatsing. Er is sprake van een goede samenwerking met de GI en het pleeggezin. Deze regeling kan goed uitgevoerd worden zonder verplicht kader.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal een machtiging verlenen om [minderjarige] dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin gedurende een weekend in de veertien dagen van vrijdag tot en met zondag. Deze machtiging geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 11 juli 2026. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.3.
Om de vraag te beantwoorden of het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin moet worden gezien als een regelmatig terugkerende logeerpartij op vrijwillige basis, of als een verblijf met een verplicht karakter, heeft de kinderrechter de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad van 22 januari 2021 [2] bij haar beslissing betrokken. De procureur-generaal schrijft daarin dat het afhankelijk is van de omstandigheden of in een specifieke situatie een machtiging tot uithuisplaatsing vereist is. Zij schrijft dat voor een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is dat het verblijf gedurende dag en nacht buiten het gezin noodzakelijk moet zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind. Daarbij vindt zij relevant:
- het karakter en de duur van de uithuisplaatsing,
- of er sprake is van overheveling van de zeggenschap over de dagelijkse verzorging en opvoeding van de ouders naar de personen bij wie het kind verblijft, en
- bij wie het initiatief van het verblijf buiten het gezin valt.
5.4.
De kinderrechter vindt dat hier sprake is van een verblijf met een verplicht karakter en gaat hierna in op de door de procureur-generaal genoemde relevante vereiste omstandigheden.
5.5.
De kinderrechter vindt in de eerste plaats dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] regelmatig een weekend buiten het gezin verblijft. De vader moet regelmatig ontlast worden van de zorg voor [minderjarige] . De moeder kampt namelijk met chronische gezondheidsproblemen. Zij heeft progressieve MS en cerebrale parese. Verder heeft de moeder beperkingen op cognitief gebied. Voor de verzorging van [minderjarige] is zij volledig afhankelijk van ondersteuning. Er komt daardoor veel op de schouders van de vader terecht. Hij is mantelzorger van de moeder, werkt daarnaast fulltime en draagt een groot deel van de zorg voor [minderjarige] . De combinatie van deze taken is erg zwaar voor de vader en daarom is het noodzakelijk dat de ouders, en vooral de vader, regelmatig ontlast worden, zoals hierboven ook al is opgemerkt. Als dat niet gebeurt, bestaat de kans dat hij op den duur de gecombineerde zorg voor de moeder en [minderjarige] niet kan langer bolwerken en hij uitvalt. Dan zou [minderjarige] niet langer bij de moeder kunnen verblijven, en dat zou niet in haar belang zijn. In zoverre is het verblijf van [minderjarige] bij het pleeggezin niet vrijblijvend maar noodzakelijk.
5.6.
Daarnaast is het zo dat het pleeggezin de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] draagt zo lang [minderjarige] in het gezin verblijft. Het pleeggezin is een bestandspleeggezin, waar vaker kinderen geplaatst worden. Er is hier dus ook sprake van de tweede door de procureur-generaal genoemde omstandigheid. De moeder heeft over dit gezin op de zitting gezegd, dat zij en de vader er een klik mee hebben en dat zij het fijn vindt dat [minderjarige] daar kan logeren. Dat kan zo zijn, maar dat neemt niet weg dat de “logeerpartij” niet moet worden gezien als iets dat alleen tussen de ouders en de pleegouders wordt afgesproken en dus in zekere zin vrijblijvend is. De GI is immers een belangrijke partij bij de afspraken, en zij stemt in met [minderjarige] verblijf in het pleeggezin omdat zij erop kan vertrouwen dat dit bestandspleeggezin voldoet aan bepaalde vereisten op het gebied van verzorging en opvoeding van kinderen.
5.7.
Verder is de GI degene die de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin noodzakelijk vindt. Als [minderjarige] niet in dit gezin geplaatst zou kunnen worden, zou de GI een ander gezin zoeken om [minderjarige] op te vangen. En de plaatsing zou doorgaan, ook als de ouders daar niet helemaal tevreden over zouden zijn.
5.8.
Dit maakt dat de kinderrechter vindt dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin het beste past binnen het kader van een jeugdmaatregel en niet kan worden gezien als een verblijf op vrijwillige basis. Daarom zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag verlenen. Op deze manier kan [minderjarige] uit logeren in het pleeggezin, zoals de ouders ook willen. Het is fijn en belangrijk dat de vader in die weekenden tot rust kan komen en kan opladen. Dit komt het gezin ten goede. De kinderrechter beperkt de machtiging tot een weekend per twee weken, omdat dit de bedoeling van de GI en de ouders is. Zij vindt het namelijk belangrijk dat de uithuisplaatsing, die ingrijpt op het gezinsleven van de ouders en [minderjarige] , zo beperkt blijft als mogelijk is.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 11 juli 2026.
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. G.L.M. Urbanus, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.D.J. Esders als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.