De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige gedurende een weekend per veertien dagen in een pleeggezin waar het kind eerder verbleef. De ouders zijn het eens met het verzoek, maar geven de voorkeur aan een vrijwillige regeling zonder machtiging. De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is vanwege het belang van de verzorging en opvoeding van het kind.
De kinderrechter baseert zich op de criteria van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, waarbij het verblijf met een verplicht karakter wordt gekwalificeerd. De vader is mantelzorger voor de moeder, die lijdt aan progressieve MS en cerebrale parese, en heeft een zware zorglast voor het kind. Het pleeggezin draagt de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding tijdens het verblijf, en de GI is betrokken bij de plaatsing en het toezicht.
De machtiging wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 11 juli 2026 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt dat de uithuisplaatsing beperkt blijft tot een weekend per twee weken, wat aansluit bij de wensen van de ouders en het belang van het kind en het gezin.