ECLI:NL:RBMNE:2026:214

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/2852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbWet waardering onroerende zakenECLI:NL:HR:2024:853ECLI:NL:HR:2006:AZ4416ECLI:NL:GHARL:2016:9846
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te laat ingediend bezwaar tegen WOZ-beschikking

De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €408.000,- voor het belastingjaar 2023. Eiser ging in bezwaar tegen deze beschikking, maar ontving de uitspraak op bezwaar volgens de heffingsambtenaar tijdig op 24 november 2023. Eiser stelde echter dat hij deze uitspraak niet had ontvangen en stelde de heffingsambtenaar in gebreke.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar tijdig en correct was verzonden naar het juiste adres. Eiser had onvoldoende feiten gesteld om dit te betwijfelen. Hierdoor werd het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift op 2 april 2024 buiten de wettelijke termijn was ingediend.

Eiser verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de redelijke termijn met ongeveer tien maanden was overschreden, was het financiële belang van eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt en bleef de overschrijding onder de twaalf maanden. Daarom wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

De rechtbank wees het beroep af, vergoedde geen griffierecht en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 22 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-beschikking is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. J.W. Vugts)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder

(gemachtigde: I.K. Beek)

Procesverloop

1.1
In de beschikking van 22 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op
€ 408.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief van 24 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
1.3
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 20 februari 2024 een besluit genomen op de ingebrekestelling. De heffingsambtenaar stelt in deze brief dat de uitspraak op bezwaar al is gedaan en op 24 november 2023 aan eiser is verzonden. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
1.4
Eiser heeft op 2 april 2024 tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
De zaak is behandeld op de zitting van 11 december 2025. De gemachtigde van de heffingsambtenaar en [taxateur] (taxateur van de heffingsambtenaar) hebben deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep
2. Eiser stelt de uitspraak op bezwaar van 24 november 2023 niet te hebben ontvangen. Daarom heeft eiser de heffingsambtenaar bij brief van 24 januari 2024 in gebreke gesteld en verzocht binnen twee weken op het bezwaar te beslissen. Hij verzoekt de rechtbank om de heffingsambtenaar te sommeren alsnog uitspraak op bezwaar te doen en daaraan een dwangsom te verbinden. Daarnaast verzoekt hij de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Ten slotte verzoekt eiser immateriële schadevergoeding toe te kennen als de redelijke termijn van twee jaar wordt overschreden.
3. De heffingsambtenaar stelt dat de uitspraak op bezwaar van 24 november 2023 wel is verzonden aan eiser en hij ten onrechte in gebreke is gesteld. Ter onderbouwing heeft de heffingsambtenaar screenshots aangeleverd van een digitale map met daarin stukken die zijn verzonden.
4. De rechtbank moet beoordelen of de uitspraak op bezwaar van 24 november 2023 tijdig bekend is gemaakt door verzending aan de gemachtigde van eiser.
5. Als de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. [1] Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
6. Niet in geschil is dat de uitspraak op bezwaar is voorzien van de juiste adressering. Gelet op de door de heffingsambtenaar overgelegde verzendadministratie en de toelichting die daarop tijdens de zitting is gegeven is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de verzending van de uitspraak aannemelijk heeft gemaakt.
7. Het ligt vervolgens op de weg van eiser om dit vermoeden te ontkrachten. Hiertoe dient hij feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. [2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dergelijke feiten niet gesteld. De stelling van de gemachtigde van eiser dat hij de uitspraak op bezwaar niet heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat de uitspraak op bezwaar met de verzending op 24 november 2023 eiser heeft bereikt.
8. Het komt er dus op neer dat de uitspraak op bezwaar tijdig is bekendgemaakt. Dat betekent ook dat de heffingsambtenaar op tijd heeft beslist. Om die reden is het beroep van eiser niet-ontvankelijk en heeft hij geen recht op een (bestuurlijke) dwangsom. Het beroepschrift van 2 april 2024 tegen de uitspaak op bezwaar is buiten de in artikel 6:7 van Pro de Awb bepaalde termijn door de rechtbank ontvangen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is ook geen sprake.
Verzoek om immateriële schadevergoeding
9. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak twee jaar of meer is verstreken. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. Het bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar ontvangen op 28 maart 2023. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) tien maanden. Eiser heeft dus in beginsel recht op vergoeding van immateriële schade.
10. De rechtbank overweegt verder als volgt. Het verzoek van eiser valt onder de werking van de uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 2024. [3] Hierdoor geldt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade als het financieel belang minder is dan € 1.000,- én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden.
11. De rechtbank stelt vast dat het financiële belang in deze zaak niet boven € 1.000,- komt. Eiser heeft geen feiten aangevoerd op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook doen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A. Mulder griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.