Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2151

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
3 mei 2026
Zaaknummer
12102919 \ UE VERZ 26-67 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b BWArt. 7:669 lid 3 sub d BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:669 lid 3 sub i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Pro forma ontbinding arbeidsovereenkomst na schikking wegens verstoorde arbeidsrelatie

De procedure betreft een verzoek tot vernietiging van ontslag op staande voet en een tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Partijen bereikten op 15 april 2026 overeenstemming over de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst, waardoor de mondelinge behandeling kwam te vervallen.

De werknemer is sinds 1 februari 2008 in dienst en verzocht vernietiging van het ontslag op staande voet en diverse vergoedingen. De werkgever verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen, verstoorde arbeidsrelatie, disfunctioneren en cumulatiegrond.

Partijen erkenden een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie zonder verwijt aan beide zijden en spraken af dat het ontslag wordt ingetrokken bij ontbinding door de kantonrechter. De kantonrechter oordeelde dat er een redelijke grond voor ontbinding is, geen opzegverbod geldt en dat herplaatsing niet mogelijk is.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van €19.279,53. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 met betaling van een transitievergoeding van €19.279,53.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12102919 \ UE VERZ 26-67 WMB/61313
Beschikking van 22 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A.D.J. van Ruyven,
tegen
[verweerder],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A.W. Haverkort.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift en het verweerschrift. Op 15 april 2026 hebben partijen laten weten dat zij overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop de arbeidsovereenkomst zal worden afgewikkeld als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt. Daarom is de geplande mondelinge behandeling van het verzoek niet doorgegaan. Hierna is uitspraak bepaald.

2.Het verzoek, het tegenverzoek en het verweer

2.1
[verzoeker] is sinds 1 februari 2008 in dienst bij [verweerder] .
2.2
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om het op 16 december 2025 door [verweerder] gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot doorbetaling van het loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente over voornoemde uitbetalingen voor zover [verweerder] die te laat heeft betaald. Subsidiair verzoekt [verzoeker] om een gefixeerde schadevergoeding van € 12.276,00, een billijke vergoeding van € 75.000,00 en een transitievergoeding van € 18.291,38, vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen.
2.3
[verweerder] heeft zich in haar verweerschrift verzet tegen vernietiging van het ontslag en de toekenning van de verzochte vergoedingen. Zij heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend op grond van artikel 7:671b en 7:669 lid 3 sub d, e, g en i van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor zover dat nodig is, verzoekt zij daarin om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen door [verzoeker] , subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, meer subsidiair vanwege disfunctioneren, en meest subsidiair op grond van de cumulatiegrond.
2.4
Partijen zijn het met elkaar eens dat de arbeidsverhouding tussen hen ernstig en duurzaam is verstoord. Zij hebben afgesproken dat [verweerder] het ontslag zal intrekken als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt vanwege de verstoorde arbeidsrelatie tussen partijen.

3.De beoordeling

in het verzoek
3.1
Partijen hebben afgesproken dat [verweerder] het ontslag van [verzoeker] zal intrekken. Zij hebben onderling overeenstemming bereikt over de vergoedingen die [verweerder] aan [verzoeker] moet betalen bij het einde van de arbeidsovereenkomt als die door de kantonrechter wordt ontbonden. Gelet op wat hierna volgt, beschouwt de kantonrechter de verzoeken van [verzoeker] als ingetrokken.
in het tegenverzoek
3.2
Uitgangspunt bij de beoordeling van het verzoek van [verweerder] is dat de werkgever de kantonrechter kan verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een redelijke grond. [1] De kantonrechter dient die redelijke grond te onderzoeken. [2] De kantonrechter heeft geconstateerd dat partijen het eens zijn dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, dat de verstoring zodanig is dat van [verweerder] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te laten voortduren, dat geen van de partijen hiervan een verwijt treft, en dat er geen herplaatsing van [verzoeker] in een andere passende functie binnen een redelijke termijn mogelijk is.
3.3
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is voorts onderzocht of een opzegverbod ingevolge art 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval.
3.4
Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd.
3.5
Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, moet het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald. Er is geen wettelijk bezwaar de arbeidsovereenkomst te ontbinden per de datum die partijen zijn overeengekomen, te weten 1 augustus 2026.
3.6
Partijen zijn het er ook over eens dat [verzoeker] aanspraak heeft op een transitievergoeding van € 19.279,53. [verweerder] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding.
3.7
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in het verzoek
4.1
verstaat dat [verzoeker] zijn verzoeken heeft ingetrokken,
in het tegenverzoek
4.2
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,
4.3
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 19.279,53,
in het verzoek en het tegenverzoek
4.4
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 7:671b lid BW.
2.Op grond van artikel 7:671b lid 2 BW.