Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2178

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
16.123007.24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs oplichting ondanks gedeeltelijke bekentenis verdachte

De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van oplichting van de benadeelde partij voor een bedrag van 114.226,85 euro door middel van een (liefdes)relatie en het voorwenden van ziektegerelateerde financiële problemen. Na een tussenvonnis en aanvullend onderzoek bleef onduidelijk welke specifieke oplichtingshandelingen door de verdachte waren verricht en welk bedrag daaraan kon worden toegerekend.

De rechtbank oordeelde dat liegen binnen een relatie en het ontvangen van geld op zichzelf niet strafbaar is. Voor bewezenverklaring van oplichting is vereist dat sprake is van een specifieke, ernstige vorm van bedrieglijk handelen die valt onder de wettelijke oplichtingsmiddelen. Hoewel valse facturen voor geveinsde ziekenhuiskosten waren verzonden, bleek uit het dossier dat deze handelingen door een derde persoon, aangeduid als ‘[naam 2]’, waren verricht, en niet door de verdachte zelf. De officier van justitie stelde dat verdachte en ‘[naam 2]’ dezelfde persoon waren, maar de rechtbank vond dit onvoldoende bewezen.

Omdat medeplegen niet ten laste was gelegd, kon de verdachte niet verantwoordelijk worden gehouden voor de handelingen van de derde persoon. Hierdoor kon de rechtbank niet met redelijke twijfel vaststellen dat verdachte de oplichting had gepleegd. De verdachte werd daarom integraal vrijgesproken.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van 114.226,85 euro, maar omdat de verdachte werd vrijgesproken, kon de strafrechter geen schadevergoeding toekennen. De vordering werd niet-ontvankelijk verklaard en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.123007.24
Tegenspraak (artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering)
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de strafzaak van:
Vesna [naam 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 februari 2025. Op 4 maart 2025 is een tussenvonnis gewezen (ECLI:NL:RBMNE:2025:897), waarna op 14 april 2026 een nadere inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. V.H. van der Horst;
  • de advocaat van de verdachte: mr. K.C. van de Wijngaart;
  • de benadeelde partij: [benadeelde] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
in de periode van 5 april 2022 tot en met 1 augustus 2023 in Woerden [benadeelde] heeft opgelicht voor in totaal 114.226,85 euro, door een (liefdes)relatie met hem aan te gaan, hem voor te houden dat zij (tijdelijk) niet over haar geld kon beschikken en (direct) geld nodig had omdat zij ziektekosten (geveinsde operatiekosten en ziekenhuisopnamekosten) niet kon betalen, ter onderbouwing waarvan zij valse facturen stuurde.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.De inhoud van het tussenvonnis

De rechtbank heeft op 4 maart 2025 een tussenvonnis gewezen omdat zij in de raadkamer tot de conclusie kwam dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank kon destijds onvoldoende vaststellen welke oplichtingshandelingen door de verdachte zouden zijn verricht en welk geldbedrag door de oplichting zou zijn verkregen.
De rechtbank heeft daarom het onderzoek heropend om nader onderzoek te doen naar (i) de door aangever overgelegde correspondentie, (ii) de omstandigheden waaronder de aangever stelt te zijn bewogen tot afgifte van de geldbedragen en de oplichtingsmiddelen die daarbij zijn gebruikt, en (iii) naar het bestaan, de identiteit en betrokkenheid van een tweede persoon, ‘ [naam 2] ’. Er heeft daarna aanvullend onderzoek plaatsgevonden en deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd, waarna de strafzaak van de verdachte opnieuw op een zitting is gepland.

4.Vrijspraak

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat (ook) na het aanvullend onderzoek kan worden bewezen dat de verdachte het feit waarvan zij wordt beschuldigd, heeft gepleegd. De officier van justitie blijft bij haar eerdere strafeis, te weten:
 een gevangenisstraf van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van
twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering;
 een taakstraf van 200 uur, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken. De raadvrouw geeft aan dat het niet ter discussie staat dát de aangever geldbedragen heeft overgemaakt, maar het blijft onduidelijk welk gedeelte daarvan te relateren is aan een strafbaar feit en welk gedeelde daarvan dan vervolgens aan de verdachte kan worden toegeschreven. Mocht de rechtbank dat anders zien, heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht om niet het hele geldbedrag zoals ten laste gelegd bewezen te verklaren, maar ‘een’ geldbedrag.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de oplichting waar de verdachte van wordt beschuldigd niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
De aangever en de verdachte hebben een langere periode contact met elkaar gehad en het staat vast dat de verdachte met veel verschillende overboekingen een (in totaal) groot geldbedrag aan de verdachte heeft overgemaakt. De verdachte heeft bovendien bekend dat zij de aangever binnen deze relatie niet de waarheid heeft verteld over zichzelf. Maar liegen, al dan niet binnen een relatie, en het ontvangen van geld is op zichzelf nog niet strafbaar. Daarvoor is meer nodig.
Het juridisch kaderZoals ook al in het tussenvonnis is overwogen, is voor een bewezenverklaring van oplichting nodig dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen, om daar misbruik van te kunnen maken. Uit de tenlastelegging moet voldoende duidelijk blijken om welke concrete handelingen van de verdachte het gaat. Dat bedrieglijk handelen moet gebracht kunnen worden onder één van de in de wet genoemde oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van ‘listige kunstgrepen’ of het gebruik van een ‘samenweefsel van verdichtsels’. Ten aanzien van die laatste twee categorieën moet het gaan om méér dan een leugenachtige mededeling of een enkele misleidende handeling.
Vervolgens is nodig dat het slachtoffer door dat oplichtingsmiddel bewogen wordt tot een bepaalde handeling.
De ten laste gelegde oplichtingshandelingen
Toegespitst op deze zaak moet de rechtbank dus (steeds) kunnen vaststellen welke - ten laste gelegde - oplichtingshandeling van de verdachte tot een bepaalde betaling door de aangever heeft geleid. Ten laste is gelegd dat de verdachte door oplichting een bedrag van 114.226,85 euro van de aangever heeft verkregen. Uit het dossier blijkt dat dat totaalbedrag is opgebouwd uit een lange reeks aan betalingen door de aangever aan de verdachte, waaronder ook een aantal grotere bedragen.
In de tenlastelegging is voor een deel van die betalingen concreet uitgewerkt op welke bedrieglijke wijze de aangever bewogen zou zijn die betalingen te doen, namelijk bij de (vermeende) ziekenhuiskosten. Ten aanzien van de overige betalingen, is slechts in zeer algemene bewoordingen ten laste gelegd dat de oplichting zou hebben bestaan uit:
  • het aangaan van een (liefdes)relatie met het slachtoffer;
  • het voorhouden onvoldoende geld te hebben of daar tijdelijk niet over te kunnen beschikken;
  • het lenen van geld onder het voorwendsel van spoedige terugbetaling.
De rechtbank oordeelt dat deze ten laste gelegde gedragingen onvoldoende concreet en specifiek zijn om te kunnen oordelen dat daarmee sprake was oplichting in de zin van de wet. Daaruit volgt immers niet dat sprake was van een valse naam of hoedanigheid, van een listige kunstgreep die meer inhield dat een enkele misleidende handeling of een samenweefsel van verdichtsels dat meer inhield dan een enkele leugen. Deze gedragingen kunnen daardoor niet leiden tot een bewezenverklaring van oplichting.
De ziekenhuiskosten
Ten aanzien van de ziekenhuiskosten is de tenlastelegging wel voldoende concreet. Vast staat ook dat aan de aangever valse facturen zijn verzonden voor geveinsde ziekenhuiskosten in een ziekenhuis in Oostenrijk, waardoor hij bewogen is die ziekenhuiskosten voor te schieten. Dit zijn zonder meer oplichtingshandelingen als bedoeld in de wet.
Daarover heeft de aangever in zijn aangifte verklaard dat hij in de periode van 5 april 2022 tot 1 augustus 2023 stelselmatig is voorgelogen door [naam 1 ] - waarvan vaststaat dat dat de verdachte was - en haar beste vriendin, [naam 2] . Aangever heeft verklaard dat [naam 2] de ziekenhuisfacturen aan hem toegestuurd heeft, en dat blijkt ook uit het dossier. Ook de verdachte heeft, in haar verhoor bij de politie, verklaard dat het [naam 2] was die die valse facturen heeft vervaardigd en daarna aan aangever heeft gestuurd. Zij was daar wel van op de hoogte.
Als deze verklaringen van de aangever en de verdachte juist zijn, dan zijn de concrete ten laste gelegde oplichtingshandelingen dus verricht door [naam 2] , en niet door de verdachte, ook al was zij daar wel van op de hoogte.
Op beide zittingen heeft de officier van justitie het standpunt ingenomen dat de verdachte en [naam 2] dezelfde persoon zijn, zodat ook de door ‘ [naam 2] ’ verrichte handelingen als handelingen van de verdachte moeten worden beschouwd. Steun voor dat standpunt is te vinden in het (beperkte) onderzoek dat de politie heeft gedaan naar de identiteit van [naam 2] , waaruit naar voren is gekomen dat er geen persoon met de naam [naam 2] voorkomt op social media of in de politiesystemen. Ook bestond er geen link tussen de verdachte en een [naam 2] in - kennelijk - die politiesystemen.
Dit rechtvaardigt echter niet de conclusie dat er (dus) geen derde persoon bij deze oplichting betrokken kan zijn geweest. Dat geldt zeker omdat de verdachte in haar verhoor bij de politie heeft verklaard dat de achternaam van [naam 2] geen [naam 2] was, waardoor de bewijswaarde van dit politieonderzoek beperkt is. Daar staat vervolgens tegenover dat zowel de aangever als de verdachte hebben verklaard dat er een derde persoon betrokken was - [naam 2] - én dat de aangever heeft verklaard op enig moment zowel de verdachte als [naam 2] gelijktijdig aan de telefoon te hebben gehad.
Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet zonder redelijke twijfel de conclusie trekken dat de verdachte en ‘ [naam 2] ’ één en dezelfde persoon zijn. Dat betekent dat de rechtbank de oplichtingshandelingen die betrekking hebben op de ziekenhuiskosten niet als oplichtingshandelingen die door de verdachte zijn verricht kan beschouwen.
Dat zou anders kunnen zijn als aan de verdachte ook medeplegen ten laste was gelegd. Bij een bewezenverklaring van medeplegen kan immers het handelen van de mededader ook aan de andere dader worden toegerekend - ook als de identiteit van die mededader onbekend is gebleven - mits tussen beide daders sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Het Openbaar Ministerie heeft er echter, ook na het tussenvonnis, voor gekozen geen medeplegen ten laste te leggen. De rechtbank gaat hierop daarom verder niet in.
Gelet op bovenstaande kan de rechtbank, ondanks het aanvullende onderzoek na het tussenvonnis en ondanks de gedeeltelijk bekennende verklaring van de verdachte, niet bewezen verklaren dat de verdachte de aangever heeft opgelicht zoals dat ten laste is gelegd. Daarom komt de rechtbank tot een integrale vrijspraak.

5.Vordering benadeelde partij

5.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 114.226,85 euro, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan haar ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet vast is komen te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend.
In de hierboven weergegeven redenen voor vrijspraak ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]
  • verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
  • compenseert de proceskosten van [benadeelde] en de verdachte, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Sanders, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. K. de Meulder, in tegenwoordigheid van mr. M. Besselink als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in de periode tussen 5 april 2022 tot en met 1 augustus 2023 te Woerden, althans
in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
dhr. [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een
dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of
het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een geldbedrag van in
totaal ongeveer 114.226,85 euro, door een (liefdes)relatie aan te gaan met die
[benadeelde] en/of die [benadeelde] voor te houden dat zij (tijdelijk) niet over haar geld kon
beschikken en/of (tijdelijk) onvoldoende geld had en/of die [benadeelde] voor te
houden dat zij (direct/spoedig) geld nodig had omdat zij de ziektekosten,
waaronder onder andere geveinsde operatiekosten en ziekenhuisopnamekosten,
niet kon betalen, ter onderbouwing waarvan zij die [benadeelde] valse facturen stuurde
en/of die [benadeelde] om geld (te leen) te vragen, waarbij zij (telkens) een spoedige
terugbetaling in het vooruitzicht stelde/voorwendde, waardoor die [benadeelde]
(telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.