Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn flatwoning, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, die was vastgesteld op €202.000,- voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. Eiser stelde beroep in en betwistte de waarde, stellende dat de meerderheidsregel was geschonden omdat veel vergelijkbare woningen lager waren gewaardeerd.
De rechtbank overwoog dat de WOZ-waarde wordt bepaald via de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen niet identiek hoeven te zijn, maar de verschillen wel inzichtelijk moeten worden gemaakt. De heffingsambtenaar had een taxatiematrix overgelegd met vier referentiewoningen die qua type, ligging en verkoopdatum vergelijkbaar waren. De rechtbank vond dat hiermee voldoende rekening was gehouden met verschillen in bouwkwaliteit en voorzieningen.
Eiser stelde dat de meerderheidsregel boven de vergelijkingsmethode gaat en dat er minstens twee identieke woningen lager gewaardeerd moesten zijn. De rechtbank oordeelde dat de door eiser aangedragen woningen niet identiek waren, onder meer omdat veel sociale huurwoningen onder gemiddeld waren qua kwaliteit en voorzieningen, terwijl de woning van eiser in betere staat verkeert en aan het water ligt. De verschillen waren niet verwaarloosbaar, zodat de meerderheidsregel niet was geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak werd gedaan door rechter Visser op 22 januari 2026.