De zaak betreft een medewerker die op 17 december 2025 op staande voet is ontslagen door haar werkgever vanwege het zonder toestemming laten uitbetalen van een salarisverhoging van €6.800 naar €8.000 bruto per maand. De medewerker erkent het ontslag, maar vordert diverse vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding, transitievergoeding, en uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven. De werkgever heeft aannemelijk gemaakt dat de salarisverhoging niet was goedgekeurd door de CEO en CFO, zoals vereist volgens interne procedures. De wijze van doorvoering van de salariswijziging roept bovendien ernstige vragen op, waaronder het ontbreken van geldige handtekeningen en het manipuleren van documenten.
De medewerker kon geen aannemelijke verklaring geven voor het ontbreken van toestemming en de onregelmatigheden. Er is geen causaal verband tussen het ontslag en een eerder ingediende klacht over de CEO, waardoor klokkenluidersbescherming niet van toepassing is.
De kantonrechter wijst de meeste vergoedingen af, waaronder de billijke vergoeding en bonus, maar veroordeelt de werkgever tot betaling van de niet-genoten vakantie-uren. Tevens wordt de medewerker veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigd betaald loon. De proceskosten worden grotendeels aan de medewerker opgelegd.