Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2183

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
5 mei 2026
Zaaknummer
12090287 \ UE VERZ 26-53
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17e Wet bescherming klokkenluidersArt. 7:673 lid 9 BWArt. 17eb Wet bescherming klokkenluidersArt. 1 onder ‘vermoeden van een misstand’ Wet bescherming klokkenluidersArt. 1 onder ‘misstand’ Wet bescherming klokkenluiders
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding na klokkenluidersmelding en beëindiging arbeidsovereenkomst

Een werknemer trad in november 2024 in dienst bij een recruitmentbedrijf binnen de IT-sector met een contract voor bepaalde tijd. In maart 2025 diende hij een formele klacht in tegen zijn leidinggevende wegens vermoedens van machtsmisbruik en bevoordeling. Kort daarna werd hij ziek en werden zijn taken aangepast, waarna zijn contract niet werd verlengd in november 2025.

De werknemer vorderde een billijke vergoeding en schadevergoeding op grond van klokkenluidersbescherming, stellende dat de maatregelen en het niet verlengen van zijn contract een vergelding waren voor zijn melding. De kantonrechter erkende dat de werknemer klokkenluidersbescherming toekwam en dat er een bewijsvermoeden bestond dat de benadelende maatregelen verband hielden met de melding.

Echter heeft de werkgever voldoende onderbouwd dat de overdracht van taken en de niet-verlenging van het contract voortkwamen uit onvrede over het functioneren van de werknemer en niet uit de klokkenluidersmelding. Ook het onderzoek naar de klacht werd voortvarend opgepakt. De verzoeken van de werknemer werden daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: Verzoeken om billijke vergoeding en schadevergoeding na klokkenluidersmelding worden afgewezen; werknemer veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12090287 \ UE VERZ 26-53
Beschikking van 24 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.J. van Weersch (DAS Rechtsbijstand),
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.D.J. Kokje en mr. G.C.P. Brandt.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 12 februari 2026,
- het verweerschrift van 16 maart 2026, met daarin een tegenverzoek tot veroordeling van [verzoeker] in de volledige proceskosten,
- de aanvullende producties van [verzoeker] van 20 maart, 2026,
- de mondelinge behandeling van 27 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitaantekening van [verzoeker] ,
- de pleitaantekening van [verweerder] .
1.2
Bij de mondelinge behandeling is [verzoeker] samen met mr. Van Weersch verschenen. Namens [verweerder] zijn verschenen:
  • de heer [A] , Head of Human Resources Netherlands & HR Manager Belgium & Luxembourg [verweerder] ,
  • de heer [B] , Head of HR Continental Europe,
  • mr. J.D.J. Kopje, gemachtigde van [verweerder] ,
  • mr. G.C.P. Brandt, gemachtigde van [verweerder] .
1.3
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden uitgesproken.
2 De kern van de zaak
2.1
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1982, is op 14 november 2024 met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar bij [verweerder] in dienst getreden als [functie] met een loon van € 11.083,97 bruto per maand. [naam onderdeel] is een bedrijfsonderdeel binnen [verweerder] dat zich richt op recruitment binnen de IT-sector in Nederland en België. Op 29 maart 2025 heeft [verzoeker] een formele klacht ingediend tegen de COO van [verweerder] Nederland en leidinggevende van [naam onderdeel] , de heer [C] (hierna: [C] ). Kort daarna is [verzoeker] ziek geworden en heeft [verweerder] zijn taken aangepast waardoor hij niet langer leidinggaf aan het Belgische team van [naam onderdeel] . Op 25 september 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] laten weten dat zij zijn arbeidsovereenkomst niet zou verlengen. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 13 november 2025. [verzoeker] beroept zich op klokkenluidersbescherming en wil dat [verweerder] hem een billijke vergoeding betaalt van € 200.000,00. [verweerder] verzet zich daartegen en wil dat [verzoeker] in de werkelijke proceskosten wordt veroordeeld. De verzoeken van [verzoeker] en het verzoek van [verweerder] worden afgewezen.

3.De beoordeling

[verzoeker] komt klokkenluidersbescherming toe
3.1
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om hem een billijke vergoeding toe te kennen en beroept zich daarbij op de wettelijke klokkenluidersbescherming die het een werkgever verbiedt om een werknemer te benadelen als hij op redelijke gronden een vermoeden van een misstand meldt. [1] Een werkgever handelt ernstig verwijtbaar als hij moedwillig een werknemer benadeelt vanwege een klokkenluidersmelding. Als die benadeling erin bestaat dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet, kan er daarom een billijke vergoeding aan de werknemer worden toegekend. [2] Daarnaast schendt de werkgever in zo een geval het beginsel van goed werkgeverschap. Die schending kan op zichzelf maken dat de werkgever een schadevergoeding aan de werknemer verschuldigd is. [3] Om klokkenluiders te beschermen is in de klokkenluiderswetgeving een bewijsvermoeden opgenomen. Als een werkgever een voor de werknemer benadelende maatregel neemt nadat hij een klokkenluidersmelding heeft gedaan, dan wordt vermoed dat de benadeling het gevolg is van de melding. [4] Het is dan aan de werkgever om aan te tonen dat de benadelende maatregel of handeling om een andere reden dan de melding heeft plaatsgevonden. [5]
3.2
Anders dan [verweerder] heeft betoogd, komt [verzoeker] klokkenluidersbescherming toe. Op 29 maart 2025 heeft [verzoeker] via de interne klokkenluidersprocedure van [verweerder] een klacht tegen [C] heeft ingediend. Daarin heeft hij verschillende voorvallen met en gedragingen van [C] benoemd die voor hem de aanleiding waren om te vermoeden dat er sprake was van een misstand. Die misstand bestaat er volgens hem in dat [C] zijn positie als leidinggevende en COO structureel misbruikt om zichzelf en nauwe persoonlijke relaties te verrijken door hen op gunstige posities binnen [verweerder] aan te nemen of die voor hen te creëren. Daarnaast zou [C] bewust een angstcultuur in stand houden door onder andere bij weerwoord van anderen te dreigen met verbetertrajecten en in het algemeen op een agressieve en vijandige manier te communiceren.
3.3
De kantonrechter benadrukt dat klokkenluidersbescherming al geldt op het moment dat een werknemer alleen een vermoeden heeft van een misstand en dat meldt. [6] Of de verwijten van [verzoeker] aan het adres van [C] terecht zijn, hoeft in deze procedure daarom niet te worden vastgesteld. Ook als die uiteindelijk niet terecht blijken, komt [verzoeker] in dit geval namelijk klokkenluidersbescherming toe. Daarvoor is voldoende dat [verzoeker] ten tijde van zijn melding redelijke grond had om te vermoeden dat er sprake was van handelingen die door hun structurele karakter, ernst of omvang meer dan alleen persoonlijke belangen raken en daarom als misstand kunnen worden aangemerkt. [7] Een patroon van machtsmisbruik door een directielid en afdelingsleider zoals [verzoeker] dat in zijn klacht heeft omschreven, voldoet aan dat criterium. [verzoeker] heeft zijn klacht verder gebaseerd op zijn eigen ervaringen in de omgang met [C] en daarnaast gewezen op verschillende berichten van collega’s uit zijn team en daarbuiten met klachten over [C] zijn manier van handelen. Bovendien heeft hij in zijn klacht verschillende concrete gevallen genoemd van medewerkers die volgens hem een persoonlijke band met [C] hebben en op ongerechtvaardigd wijze door hem zijn bevoordeeld. Daarmee heeft [verzoeker] voldoende onderbouwd dat hij een redelijke grond had voor zijn vermoeden.
[verweerder] heeft na de melding maatregelen genomen die [verzoeker] hebben benadeeld
3.4
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] na de melding op 29 maart 2025 maatregelen heeft genomen die [verzoeker] hebben benadeeld. [verweerder] heeft [verzoeker] kort na zijn melding op 7 april 2025 uit zijn taken als [functie] van het Belgische team ontheven. Tijdens de zitting heeft [verzoeker] uitgelegd dat hij daardoor alleen nog leidinggaf aan één medewerker in plaats van zeven en hem dus een wezenlijk deel van zijn takenpakket werd afgenomen, ondanks dat zijn functietitel en salaris hetzelfde bleven. Daarnaast heeft [verweerder] op 25 september 2025 laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Zowel de overdracht van taken, als het niet-verlengen van een arbeidsovereenkomst zijn benadelende maatregelen waartegen de klokkenluiderswetgeving klokkenluiders beoogt te beschermen. [8] Op grond van het wettelijke bewijsvermoeden is het daarom aan [verweerder] om aan te tonen dat die maatregelen geen verband hielden met de klokkenluidersmelding.
De takenoverdracht hield geen verband met de klokkenluidersmelding
3.5
De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] voldoende heeft onderbouwd dat de takenoverdracht op 7 april 2025 geen verband hield met de klokkenluidersmelding. [verweerder] heeft uitgelegd dat [verzoeker] weliswaar was aangenomen als [functie] , maar dat het verbeteren van de afzet op de Nederlandse markt het zwaartepunt was van zijn doelstellingen in die functie. Daarbij heeft [verweerder] erop gewezen dat sollicitanten voor de functie een businesscase moesten uitwerken, waarin hen werd gevraagd om een ruw salesplan voor de Nederlandse markt op te stellen waarmee binnen vijf maanden een marktgroei van € 2.000.000,00 gerealiseerd zou kunnen worden.
3.6
[verweerder] zegt dat [verzoeker] is aangenomen op basis van zijn ruwe salesplan en het zijn hoofdtaak was om dat plan verder uit te werken en te implementeren. Ondanks die hoofdtaak verlegde [verzoeker] zijn focus telkens naar het Belgische team, terwijl de groei op de Nederlandse markt haperde. Dat was reden voor zowel [D] , [functie] (hierna: [D] ), als [C] om [verzoeker] daarop aan te spreken. Daarbij wijst [verweerder] op transcripties van twee gesprekken tussen [D] en [verzoeker] op 21 februari en 21 maart 2025, waaruit blijkt dat [D] heeft benadrukt dat de focus op Nederland moest liggen en [verzoeker] dat zelf ook onderkende.
3.7
Desondanks heeft [verzoeker] tijdens de zitting gezegd dat hij een bredere opdracht had. Volgens hem was zijn aanvankelijke focus op het Belgische team gerechtvaardigd, omdat hij ook de Belgische markt weer op gang moest krijgen na een teleurstellend jaar. Het is niet aan de kantonrechter om te beoordelen of dat klopt en het maakt voor de beoordeling van zijn verzoeken ook niet uit. Duidelijk is dat [D] en [C] niet tevreden waren met zijn aanpak en [C] om die reden besloot om zijn taken aan te passen. Al op 21 maart 2025 schrijft [C] in een e-mail aan [D] dat [verzoeker] niet wordt gedragen door het Belgische team en hij [verzoeker] de volledige focus op Nederland gaat geven. Daaruit blijkt voldoende dat de beslissing om [verzoeker] uitsluitend nog leiding te laten geven aan het Nederlandse team al was gevallen voordat hij zijn klacht had ingediend of daarover op 25 maart 2025 voor het eerst contact zocht met [E] , destijds Head of HR Western Europe (hierna: [E] ). Die beslissing kan dus niet het gevolg zijn geweest van de klokkenluidersmelding.
De niet-verlenging houdt geen verband met de klokkenluidersmelding
3.8
[verweerder] heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat ook de beslissing om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet te verlengen, geen verband hield met de klokkenluidersmelding. Uit het voorgaande volgt ook dat [C] en [D] al voor de indiening van de klacht ontevreden waren over de resultaten die [verzoeker] boekte. Hoewel [verzoeker] ontkent dat van hem werd verwacht dat hij voor het einde van het fiscale jaar op 31 maart 2025 het uitgewerkte salesplan geïmplementeerd zou hebben, leefde die verwachting bij [C] wel. Ook dat blijkt uit de e-mail van 21 maart 2025 aan [D] , waarin [C] zich erover beklaagt dat [verzoeker] te weinig voortgang boekt met het aantrekken van nieuwe klanten. [verzoeker] heeft bovendien niet weersproken dat [C] hem in een Teams-gesprek op 4 maart 2025 en tijdens een teamoverleg op 24 maart 2025 uitdrukkelijk heeft aangesproken op het uitblijven van succesvolle klantwerving in Nederland. Toen [verzoeker] op 25 maart 2025 aan [E] aangaf dat hij een klacht tegen [C] wilde indienen, was er dus al onvrede over zijn functioneren en was hij daarvan op de hoogte.
3.9
[verweerder] zegt dat die onvrede de belangrijkste reden is geweest om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] niet te verlengen. In lijn daarmee heeft zij in de aanzeggingsbrief van 25 september 2025 als reden voor de niet-verlenging geschreven:
“De reden hiervoor is dat jouw functioneren en de groei van [naam onderdeel] in de Nederlandse markt onvoldoende aansluit bij de verwachtingen.”Aangezien [verweerder] [verzoeker] geen automatische verlenging in het vooruitzicht had gesteld, stond het haar vrij om dat om die reden te doen. [verweerder] heeft verder uitgelegd dat zij [verzoeker] alsnog de ruimte heeft willen bieden om te verbeteren door [C] na de klacht uit zijn rol bij [naam onderdeel] te ontheffen en [verzoeker] per 7 april 2025 direct aan [D] te laten rapporteren. Zij wijst daarbij op de transcriptie van een gesprek tussen [verzoeker] en [D] op 14 april 2025, waarin zij aangeeft hem te zullen ondersteunen om de uitdagingen op de Nederlandse markt alsnog aan te kunnen pakken. Desondanks heeft [verzoeker] echter geen verbetering meer (kunnen) laten zien, omdat hij zich per die datum (opnieuw) ziek heeft gemeld en daarna niet meer heeft gewerkt.
3.1
Omdat het daaropvolgende re-integratietraject naar mening van [verweerder] ook stroef verliep door de houding van [verzoeker] , was dat voor haar de bevestiging dat zij na het einde van zijn arbeidsovereenkomst afscheid zou nemen van [verzoeker] . Zij wijst in dat verband op verschillende berichten tussen [verzoeker] , [D] en een HR-medewerkster bij [verweerder] , waaruit blijkt dat meermaals discussie met [verzoeker] is ontstaan over de te voeren verzuimgesprekken en het uitvoeren van specifieke taken in het kader van zijn herstel. Daarin komt duidelijk naar voren dat zijn opstelling een punt van irritatie was voor [D] , de leidinggevende die [verzoeker] verving tijdens zijn verzuim en HR. De kantonrechter oordeelt dat daarmee voldoende vaststaat dat [verweerder] het contract van [verzoeker] niet heeft verlengd om andere redenen dan de klokkenluidersmelding.
3.11
Aangezien [verweerder] erin is geslaagd om het bewijsvermoeden te ontkrachten, is er geen reden om [verzoeker] een billijke vergoeding of schadevergoeding toe te kennen op grond van klokkenluidersbescherming.
Geen ernstig verwijtbaar handelen door de klachtafhandeling
3.12
[verzoeker] heeft verder betoogd dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat zij zijn klacht niet correct heeft afgehandeld. Dat betoog gaat niet op. [E] heeft [verzoeker] na het eerste contact over de klacht geadviseerd om via de interne klokkenluidersprocedure van [verweerder] een melding in te dienen, zodat de klacht door de internationale opererende compliance-afdeling van [verweerder] afgehandeld zou worden. Op 31 maart 2025 heeft hij een ontvangstbevestiging van de klacht afgegeven [9] en in de avond van 2 april 2025 een gesprek gevoerd met [C] en de CEO van [verweerder] Nederland, waarin is besloten om [C] tijdelijk terug te laten treden als leidinggevende bij [naam onderdeel] . [verweerder] heeft na de melding dus voortvarend gehandeld om de belangen van [verzoeker] te waarborgen.
3.13
De klacht en de aanvullingen die [verzoeker] in de tussentijd daarop heeft gedaan, zijn vervolgens eind april 2025 in behandeling genomen door twee medewerkers van de compliance-afdeling. Daarbij is [verzoeker] volgens [verweerder] geïnformeerd over het vervolg van de procedure. [10] De afhandeling daarvan is echter stil komen te liggen doordat [verzoeker] niet meer inhoudelijk reageerde na een verzoek om meer informatie op 3 juni 2025. [verzoeker] is opnieuw om die aanvullende informatie gevraagd toen hij op 8 september 2025 naar de stand van zaken vroeg, waarop hij heeft gereageerd dat hij alle informatie al had verstrekt. De compliance-afdeling heeft [verzoeker] vervolgens op 22 september 2025 toegestuurd dat er naar haar geen oordeel geen sprake is geweest van vergeldingsacties voor zijn melding en dat zij hem op de hoogte zal stellen als haar onderzoek volledig is afgerond.
3.14
Uit die gang van zaken volgt niet dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij het afhandelen van de klacht. Uit het enkele feit dat het onderzoek vooralsnog niet volledig is afgerond volgt dat evenmin. De kantonrechter zal de verzoeken van [verzoeker] daarom afwijzen.
[verzoeker] moet de proceskosten van [verweerder] betalen
3.15
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] in het ongelijk is gesteld. [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om [verzoeker] in de werkelijke proceskosten van € 32.000,00 te veroordelen. Daarvoor is vereist dat [verzoeker] misbruik heeft gemaakt van procesrecht, bijvoorbeeld door evident kansloze verzoeken in te dienen. Anders dan [verweerder] zegt, is dat hier niet het geval. Gelet op het feit dat [verzoeker] klokkenluidersbescherming toekwam en [verweerder] kort na zijn melding voor hem benadelende maatregelen heeft genomen, hoefde het voor [verzoeker] niet op voorhand duidelijk te zijn dat zijn verzoeken zouden worden afgewezen. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
wijst de verzoeken van [verzoeker] af;
4.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
  • de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
  • veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente
4.3
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.2. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad. [12]
Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 17e Wet bescherming klokkenluiders (Wbk).
2.Artikel 7:673 lid 9 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) jo. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2057, r.o. 3.27.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2057, r.o. 3.27.
4.Artikel 17eb Wbk.
5.Hoge Raad 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:190.
6.Artikel 1 onder Pro ‘vermoeden van een misstand’ Wbk.
7.Artikel 1 onder Pro ‘misstand’ Wbk.
8.Artikel 17da Wbk jo. artikel 19 onder Pro c en j van de Richtlijn 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.
9.In navolging van artikel 2 lid 2 onder Pro h Wbk.
10.In navolging van artikel 2 lid 2 onder Pro i Wbk.
11.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
12.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.