Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag afvalstoffenheffing 2024 van de gemeente Baarn en vervolgens beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, omdat de heffingsambtenaar alsnog heeft beslist op het bezwaar.
De rechtbank behandelt inhoudelijk diverse beroepsgronden van eiser, waaronder de publicatie van verordeningen en beleidsregels, kostendekkende tarieven, behandeling van leegstand, toerekening van kosten voor zwerfafval, opbrengsten van grondstoffen en de ophaal- en inzamelplicht. In alle punten volgt de rechtbank het standpunt van de heffingsambtenaar en wijst de beroepsgronden af.
Eiser verzoekt tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de bezwaar- en beroepsfase samen minder dan twee jaar hebben geduurd, zodat de redelijke termijn niet is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigt dat de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 30 januari 2026.