Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2229

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6328
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 WvwArt. 134 WvwArt. 6:22 AwbArt. 27 Regeling eisen geschiktheid 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik bevestigd ondanks betwisting alcoholgebruik

Eiser is na een verkeersongeval met zijn scooter aangehouden met een hoog alcoholpromillage. Het CBR verklaarde zijn rijbewijs ongeldig wegens alcoholmisbruik, gebaseerd op een psychiatrisch rapport dat de diagnose alcoholmisbruik stelde.

Eiser voerde aan dat het rapport ondeugdelijk was omdat de berekening van zijn alcoholgebruik onjuist was, onder meer door kleinere bierglazen en een ruimere inschatting van zijn consumptie. De rechtbank oordeelde dat het rapport voldoende concludent was en dat het CBR zich daarop mocht baseren. Het motiveringsgebrek in het rapport werd gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro.

De rechtbank stelde vast dat de psychiater terecht concludeerde dat sprake was van tolerantie voor alcohol, mede gezien het hoge promillage en het feit dat eiser ondanks dat nog kon rijden. De persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn werk en sportactiviteiten, konden geen rol spelen vanwege de dwingendrechtelijke aard van de geschiktheidseisen.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, maar het CBR werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens het motiveringsgebrek. De uitspraak werd gedaan door rechter Catsburg op 6 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens alcoholmisbruik wordt ongegrond verklaard en het rijbewijs blijft ongeldig.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6328

uitspraak van de rechtbank van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Dijkhuis),
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(gemachtigde: mr. J.A. Launspach).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ongeldigverklaring van eisers rijbewijs wegens alcoholmisbruik. Eiser is het niet eens met deze ongeldigverklaring. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR eisers rijbewijs terecht ongeldig heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het CBR het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard. Het CBR mocht zich baseren op het psychiatrisch rapport, waarin de diagnose “alcoholmisbruik” is gesteld. Omdat het CBR niet heeft gemotiveerd welke vragen de psychiater heeft gesteld over de alcoholeenheden (AE) moet het wel de proceskosten van eiser vergoeden.

Procesverloop

2. Het CBR heeft met het besluit van 13 juni 2025 het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard, omdat bij eiser sprake is van alcoholmisbruik en hij daarom niet voldoet aan de eisen van geschiktheid. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij die ongeldigverklaring gebleven.
2.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Eiser, [leeftijd] en in bezit van een beginnersrijbewijs, is op zondagochtend 11 augustus 2024 na een verkeersongeval met zijn scooter aangehouden. Na een ademonderzoek is bij eiser een alcoholpromillage van 2,093 (910 μg/l) geconstateerd. Naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) heeft het CBR bij besluit van 3 december 2024 eiser verplicht om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Op 17 maart 2025 is eiser verwezen naar een arts/psychiater voor een onderzoek naar alcoholgebruik.
4. Eiser is op 12 april 2025 onderzocht door de arts [A] en de psychiater [B] . Dat onderzoek bestond uit een anamnese, een lichamelijk onderzoek en een psychiatrisch onderzoek aan de hand van de DSM-IV-TR criteria. Ook heeft het laboratorium van Star-SHL een bloedonderzoek uitgevoerd. Hierbij is een gamma-GT waarde van 16 (normaal < 74) en een CDT-waarde van 1.4% (normaal < 1,7%) vastgesteld. In het verslag van bevindingen (het psychiatrisch rapport) heeft de psychiater geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen aanwezig zijn dat bij eiser ten tijde van zijn aanhouding op 11 augustus 2024 sprake was van alcoholmisbruik volgens de DSM-IV-TR criteria, maar dat wel op basis van alle relevante gegevens de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin gesteld kan worden en dat niet aannemelijk lijkt dat eiser met het alcoholmisbruik is gestopt.
5. Het CBR heeft op basis van dit psychiatrisch rapport het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 20 juni 2025. Eiser is volgens het CBR niet geschikt om te rijden en blijft ongeschikt totdat hij is gestopt met alcoholmisbruik en dat een jaar volhoudt. Dit besluit is gebaseerd op artikel 134 van Pro de Wvw en paragraaf 8.8 ‘Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)’ van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (Regeling).
Wat voert eiser aan?
6. Eiser voert aan dat het psychiatrisch rapport naar de wijze van totstandkoming dan wel naar de inhoud zodanige gebreken vertoont, althans onvoldoende concludent is, zodat het CBR zich daarop niet mocht baseren. Het rapport bevat onjuiste feiten over de hoeveelheid van eisers alcoholgebruik. Eiser drinkt bij de studentenvereniging uit kleinere glazen bier van 200 ml en niet uit een standaard bierglas van 250 ml. De wekelijks genuttigde AE van eiser is daarom lager dan het aantal bierconsumpties dat hij bij de keuringsarts heeft opgegeven. Zijn gemiddelde consumptie was eerder 15 bier per week dan 25 bier per week, waarbij één glas bier gelijkstaat aan 0,8 AE (200 ml/250 ml). Eiser heeft daarmee zijn alcoholgebruik te ruim ingeschat. De psychiater heeft dat tijdens het onderzoek niet uitgelegd en daarmee niet voldaan aan zijn zorgplicht. De onjuiste informatieverstrekking over het alcoholgebruik mag daarom niet voor rekening en risico van eiser komen.
Van een tolerantie bij eiser kan ook geen sprake zijn. Uit het verslag is niet op te maken hoe de psychiater dat heeft vastgesteld. Tijdens het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek is geen enkele afwijking gevonden. Het CBR heeft ook niet toegelicht hoe de normale laboratoriumwaarden zich verhouden tot de veronderstelde structurele consumptie van 25 AE per week sinds het 18e levensjaar, zoals blijkt uit de informatie van Alcoholinfo die na de hoorzitting is overgelegd. Daarbij is de ontzegging van eisers rijbevoegdheid sinds 19 februari 2025 door de politie beëindigd. Uit het strafdossier blijkt dat eiser tijdens zijn aanhouding sloom reageerde, afwezig was en zichzelf tegensprak, wat sterke contra-indicaties zijn voor alcoholtolerantie. Voorts is eiser aangehouden naar aanleiding van een ongeval waarbij hij betrokken was. De Officier van Justitie heeft bij de beslissing tot invordering van het rijbewijs opgemerkt dat sprake is van 'gevaarlijk rijgedrag'. Eiser reed, zonder zich hiervan bewust te zijn, op een scooter waarvan de remmen niet werkten, vervolgens reed hij tegen de achterkant van een wachtende auto aan. Dit gedrag is ook een contra-indicatie voor tolerantie. Verder is van belang dat de aanhouding plaatsvond aan het eind van de studenten introductieweek in Utrecht, een periode waarin eiser naar eigen zeggen te veel heeft gedronken. Voor eiser is dat hoge alcoholgebruik niet normaal.
Volgens eiser is het rapport ook innerlijk tegenstrijdig. De psychiater concludeert tot alcoholmisbruik op basis van een veronderstelde consumptie van 25 AE per week en tolerantie, terwijl alle objectieve medische parameters normaal zijn. Het rapport verklaart niet hoe deze bevindingen zich tot elkaar verhouden, noch waarom de objectieve parameters worden gepasseerd.
Het toetsingskader
7. Volgens vaste rechtspraak bestaat, als de diagnose ‘alcoholmisbruik’ is gesteld, slechts aanleiding om het bestreden besluit dat is gebaseerd op een psychiatrische rapportage niet in stand te laten indien de rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij is het niet aan het CBR en niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat. [1]
7.1.
Het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen is gericht op het algemene belang van de verkeersveiligheid. De diagnose ‘alcoholmisbruik’ ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik, terwijl aanwijzingen dat het onwaarschijnlijk is dat bij betrokkene sprake is van met alcoholgebruik gerelateerde problemen niet aanwezig zijn. Om tot een diagnose te kunnen komen, heeft de psychiater de anamnese, het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek, en het laboratoriumonderzoek als instrumenten tot zijn beschikking.
7.2.
De diagnose ‘alcoholmisbruik’ kan in de praktijk niet uitsluitend worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte. Reden daarvoor is dat de betrouwbaarheid van de anamnestische gegevens in de keuringssituatie laag is, omdat de bestuurder in kwestie het rijbewijs doorgaans wenst te behouden. Verder is het ademalcoholgehalte steeds een momentopname. Daarom kan de diagnose ‘alcoholmisbruik’ alleen worden verkregen met de hulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor aanwezigheid van alcoholproblemen. Deze aanwijzingen kunnen onder meer worden gevonden in de omstandigheden van de aanhouding. Daarbij valt te denken aan contextuele zaken of observaties van de verbalisanten, zoals het (relatief) ontbreken van intoxicatieverschijnselen tijdens de aanhouding, die in het proces-verbaal zijn genoteerd. Daarnaast is het goed of langdurig kunnen functioneren met hoge promillages alcohol een aanwijzing voor alcoholtolerantie en daarmee voor de aanwezigheid van problemen met het gebruik van alcohol. In dat verband kan worden gedacht aan het kunnen besturen van een auto onder invloed van hoge promillages alcohol. [2]
Mocht het CBR zich baseren op het psychiatrisch rapport?
8. De psychiater concludeert in het rapport het volgende:
‘Betrokkene is [leeftijd] en werd op 11-08-2024 aangehouden met een promillage van 2,093. Betrokkene vertelt dat er in die periode gemiddeld 2 dagen per week alcohol gedronken werd. Door de week niet. In het weekend 2 dagen, en dan gemiddeld 10-15 AE op vrijdag en 5-10 AE op zaterdag. Daarnaast heeft betrokkene soms een uitschieter, gemiddeld eens in het jaar. Dit keer omdat het de introductieweek was in Utrecht. Bij deze introductieweek had hij 4 dagen in de week gedronken, en dronk dan 20 AE per dag. Betrokkene begon op zijn 18e met dit gebruik. Na de laatste aanhouding is het alcoholgebruik van betrokkene onveranderd. Bij huidig onderzoek werden de volgende bevindingen vastgesteld:
  • Betrokkene is [leeftijd] en is aangehouden met een fors hoog promillage van 2,093.
  • Het AAG/BAG kan worden gebruikt om de tolerantie ten aanzien van alcohol vast te stellen. Bij 1,8 of meer promille tonen de meeste niet-tolerante individuen een ernstige intoxicatie. Bij betrokkene was er, gezien het ademalcoholgehalte van 2,0093 en het anamnestische gegeven dat hij zich hierbij nuchter voelde en zich goed in staat voelde om te rijden, wel sprake van tolerantie. Deze tolerantie is indicatief voor een voorafgaande periode van overmatig alcoholgebruik. Het is een sterke aanwijzing voor een stoornis in alcoholgebruik.
  • Betrokkene dronk minimaal één dag per twee minstens 10 AE per dag. Dit is een aanwijzing voor een stoornis in het alcoholgebruik.
  • Betrokkene voelde zich goed in staat te rijden met een flink verhoogd promillage. Dit is een aanwijzing voor tolerantie en een stoornis in alcoholgebruik.
  • Bij het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek werden geen afwijkingen gevonden.
  • Betrokkene had een normale laboratoriumuitslag
Motiveringsgebrek in het rapport
9. De rechtbank stelt vast dat het eiser niet duidelijk was dat de psychiater bij de anamnese voor de hoeveelheid alcohol AE uitging van een standaard bierglas van 250 cc. Eiser was in de veronderstelling dat het ging om kleinere bierglazen van 200 cc. Uit het dossier blijkt niet dat de psychiater tijdens de alcoholanamnese eiser heeft geïnformeerd dat als maatstaf voor de alcoholeenheid AE wordt uitgegaan van een standaardglas van 250 cc. Ook op de zitting heeft het CBR daarover geen uitsluitsel kunnen geven. Dat het aan eiser is om deze relevante informatie tijdens het onderzoek aan de psychiater te verstrekken, [3] laat onverlet dat van de psychiater mag worden verwacht dat hij over de te hanteren maatstaf voor alcoholeenheden aan eiser uitleg geeft om geen misverstanden te laten ontstaan. Dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om op dit punt correcties of aanvullingen op het rapport te geven, maakt dat niet anders, omdat de maatstaf van 250 cc niet in het rapport is vermeld. De omstandigheid dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij feitelijk alleen bier uit kleinere glazen dronk, doet aan bovenstaande conclusie niet af omdat er in het kader van de besluitvorming door het CBR over dit punt geen onduidelijkheid zou moeten bestaan.
9.1.
Het voorgaande betekent dat bestreden besluit daarom onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
9.2.
Voor de conclusie dat bij eiser sprake is van alcoholmisbruik is de psychiater uitgegaan van een gemiddeld alcoholgebruik van 10-15 AE per week. Eiser heeft in beroep gesteld dat van een andere berekening moet worden uitgegaan en hij berekent zijn alcoholgebruik op 12-20 AE per week [4] dan wel 12 AE per week. [5] De rechtbank is van oordeel dat ook als uitgegaan wordt van de berekening van eiser de conclusies van de psychiater concludent blijven omdat deze vallen binnen het gemiddelde waarvan de psychiater bij het trekken van de conclusies is uitgegaan. Dat eiser transparant wilde zijn en hij daarom zijn alcoholgebruik te ruim heeft ingeschat, maakt dat niet anders. Bij rijders onder invloed is de alcoholanamnese in het kader van rijgeschiktheidskeuringen in het algemeen minder betrouwbaar en daarom heeft de psychiater het door eiser opgegeven gebruik conservatief mogen interpreteren. Het is niet aannemelijk dat eiser bij de rijgeschiktheidskeuring een ruimere schatting van zijn werkelijke alcoholgebruik heeft gegeven. Eisers stelling dat de alcoholeenheden in het rapport niet kloppen omdat de glazen bier die hij heeft gedronken kleiner waren dan het standaardglas en hij zijn alcoholgebruik ruimer heeft ingeschat, maakt niet dat het rapport ondeugdelijk is.
Tolerantie
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de psychiater heeft kunnen concluderen dat er sprake is van tolerantie voor alcohol. Daarbij heeft de psychiater in aanmerking mogen nemen dat eiser op 11 augustus 2024, ondanks een hoog alcoholpromillage, nog in staat was om drie kilometer met zijn scooter te rijden. Dit is een aanwijzing dat sprake is van tolerantie. Een niet getrainde drinker had dat niet gekund. [6] Dat uit het strafdossier blijkt dat eiser een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij hij zichzelf tegensprak en sloom praatte en de automobilist daarom de politie heeft gebeld, zijn geen reden om aan te nemen dat eiser geen tolerantie had. De rechtbank verwijst in dat verband naar de toelichting van psychiater in bezwaar dat de meting van het promillage de volgende dag was en daarmee een restalcoholpromillage, wat betekent dat eiser de avond van tevoren een veel hoger promillage moet hebben gehad. Aangezien eiser niet kon aangeven in hoeveel tijd of tot hoe laat hij de alcoholconsumpties had genuttigd is het geschatte alcoholgebruik op de avond voor de aanhouding niet aan te geven, maar is zeker veel hoger van dan de gemeten hoeveelheid de volgende dag. Een glas alcohol wordt door de lever in 1 tot 1,5 uur afgebroken en als de volgende dag een promillage van 2,093 gemeten wordt, moet het promillage fors hoger zijn geweest na het drinken de avond tevoren. Eiser is gewend om grote hoeveelheden alcohol te nuttigen in de weekenden en heeft daardoor in klinisch opzicht een tolerantie opgebouwd daar hij de alcohol goed kon verdragen. Hij heeft geen ernstige intoxicatieverschijnselen vertoond welke te verwachten zijn bij een niet getrainde drinker. Tijdens de introductieweek heeft hij gedurende vier dagen een binge drinking patroon gehad, wat ook wijst op tolerantie en alcoholmisbruik, aldus de toelichting van de psychiater. Dat het gaat om een incident omdat de aanhouding plaatsvond aan het einde introductieweek, waarin eiser uitzonderlijk meer alcohol had gedronken dan normaal, levert daarom geen contra-indicatie voor tolerantie.
Innerlijke tegenstrijdigheid
10. Van een innerlijke tegenstrijdigheid in het rapport is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat sprake is van een normale laboratoriumuitslag betekent niet dat de diagnose alcoholmisbruik in de zin van de Regeling niet kan worden gesteld. De psychiater heeft de normale laboratoriumuitslag betrokken bij het trekken van de conclusies en heeft zich daarvan dus rekenschap gegeven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de psychiater aan dat aspect een onjuiste betekenis heeft gehecht. Hij heeft niet onderbouwd dat een normale laboratoriumuitslag onverenigbaar is met de gestelde diagnose. Het rapport is verder niet innerlijk tegenstrijdig omdat er voldoende (indirecte) aanwijzingen die de diagnose kunnen dragen, zoals een hoog (rest)alcoholgehalte, het feit dat eiser zich daarmee in staat voelde om met zijn scooter te rijden en dat ook drie kilometer heeft gedaan en dat eiser vaker veel alcohol drinkt. Daarmee voldoet het rapport aan de eisen die eraan gesteld worden.
Tussenconclusie
11. Het CBR heeft zich daarom op het rapport mogen baseren. Dat betekent dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ongeschikt is voor het besturen van een motorrijtuig en het rijbewijs van eiser terecht ongeldig heeft verklaard.
Evenredigheidsbeginsel
12. Eiser heeft een verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Hij stelt dat de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs vergaande gevolgen voor hem heeft. In dat kader voert eiser aan dat zijn rijbewijs al langere tijd ongeldig is en hij voor zijn opleidings- en werktraject verplicht twee dagen in de week aanwezig moet zijn in warehouses in Heinenoord en Klundert die met het openbaar vervoer niet binnen afzienbare tijd zijn te bereiken. Daarbij is eiser voor zijn levensonderhoud mede afhankelijk van de inkomsten uit zijn werk. Eiser stelt dat alleen alcohol drinkt tijdens activiteiten gerelateerd aan zijn studentenvereniging en bijvoorbeeld niet in tentamentijd. Eiser loopt marathons en speelt fanatiek voetbal. Eiser is niet eerder in aanraking gekomen met politie of justitie en zijn ouders en vrienden herkennen hem niet als iemand die overmatig veel alcohol drinkt of lak heeft aan het verkeer.
13. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te concluderen dat het CBR zijn rijbewijs niet ongeldig heeft mogen verklaren. Het CBR kon in dit kader geen rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van eiser, omdat artikel 134, tweede lid, van de Wvw en artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling dwingendrechtelijke van aard zijn en geen ruimte laten voor een afzonderlijke belangenafweging. Als niet aan de geschiktheidseisen wordt voldaan, weegt het belang van de verkeersveiligheid zwaarder dan het persoonlijke belang van eiser. De gestelde onevenredige gevolgen kunnen dan ook niet meegewogen worden.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het rijbewijs van eiser terecht ongeldig is verklaard.
14.1.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb bestaat wel recht op een vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat het CBR het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:841, van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4134 en 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1462.
2.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339 en van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3484.
3.Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2887.
4.2.1.7 van het beroepschrift.
5.2.1.24 van het beroepschrift.
6.Zie punt 14 van de uitspraak van 22 november 202 van de meervoudige kamer van deze rechtbank, ECLI:NL:RBMNE:2016:6306, bevestigd met de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2027, ECLI:NL:RVS:2018:2124.