Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen
Stichting De Faunabescherming, gevestigd in Amstelveen, eiseres
het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland, verweerder,
de Faunabeheereenheid Flevolandgevestigd in Lelystad,
de Wildbeheereenheid Zuidelijk Flevolanduit Vaassen,
de Wildbeheereenheid Noordoostpolderuit Espel en
de Wildbeheereenheid Oostelijk Flevolanduit Dronten.
Inleiding
Overwegingen
“De enige maatstaf die uit de wet volgt, is dat het faunabeheerplan de jachthouder ruimte moet bieden om invulling te geven aan zijn verplichting om een redelijke wildstand op zijn jachtveld te handhaven of te bereiken (artikel 3.20, vierde lid).”Vervolgens volgt uit het kamerstuk dat het in eerste instantie aan de jachthouder is om te bepalen wanneer in de praktijk sprake is van een redelijke wildstand. Om te bepalen welke inspanningen nodig zijn om een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken moet de jachthouder het goedgekeurde faunabeheerplan in acht nemen. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze toelichting aan bij de gegevens die in het faunabeheerplan voor de jacht ten aanzien van de wildsoorten zijn opgenomen. In het faunabeheerplan voor de jacht zijn immers gegevens opgenomen over de staat van instandhouding van de wildsoorten, maar ook over populatietrends en de door een soort veroorzaakte schade in een gebied. Dit betekent niet dat deze informatie, waaronder de staat van instandhouding en de veroorzaakte schade, betrokken moeten worden bij de goedkeuring van het faunabeheerplan voor de jacht. Zoals ook volgt uit de door eiseres aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis bij de Wnb heeft de jachthouder deze informatie nodig om vast te stellen wat voor zijn jachtgebied een redelijke wildstand is en welke inspanningen nodig zijn voor het bereiken of handhaven daarvan.