Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2291

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/16/608333 / JE RK 26-357 en C/16/609650 / JE RK 26/504
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing machtiging tot uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling minderjarige bijna 18 jaar

De kinderrechter behandelde een zaak over een minderjarige die onder toezicht stond en uit huis geplaatst was. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling tot de meerderjarigheid, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vroeg. De ouders waren het eens met de ondertoezichtstelling maar verzochten opheffing van de uithuisplaatsing.

De kinderrechter oordeelde dat de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd bleef vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, mede door drugstesten die positief waren bij de ouders. De machtiging tot uithuisplaatsing werd echter niet verlengd en opgeheven per 25 april 2026, omdat de minderjarige bijna 18 jaar is, zich gestraft voelt door de plaatsing en zijn toekomstplannen stagneren. De kinderrechter vond het niet in het belang van de minderjarige om de uithuisplaatsing voort te zetten.

De minderjarige had aangegeven niet naar een alternatieve groep te willen en dreigde weg te lopen bij verlenging. De kinderrechter benadrukte het belang van hulpverlening in de thuissituatie en verwachtte dat ouders alle noodzakelijke hulp accepteren. Tevens werd de GI opgedragen contact te onderhouden met de werkgever van de minderjarige om zijn baan te behouden.

De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige werd schriftelijk geïnformeerd over de beslissing en de motieven. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht tot zijn 18e en heft de machtiging tot uithuisplaatsing per 25 april 2026 op.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers: C/16/608333 / JE RK 26-357 en C/16/609650 / JE RK 26/504
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak (met zaaknummer C/16/608333 / JE RK 26-357) van
de Raad voor de Kinderbescherming, Midden-Nederland, Utrecht,
hierna te noemen de Raad,
en in de zaak (met zaaknummer C/16/609650 / JE RK 26/504) van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
en
[vader],
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 11 maart 2026;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 3 april 2026;
  • het schriftelijke verweer met bijlagen van de ouders, ontvangen op 10 april 2026
  • het plan van aanpak van de GI, ontvangen op 10 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders;
- [A] namens de Raad;
- [B] en [C] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting op 10 april 2026 mondelinge uitspraak gedaan. Deze beschikking is een uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op [instelling] in Ermelo.
2.3.
Bij beschikking van 3 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 3 maart 2026 tot 3 juni 2026 en is er een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 3 maart 2026 tot 31 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 12 maart 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 juni 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen tot hij meerderjarig is, dus tot 25 augustus 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot 25 augustus 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De ouders verzoeken de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op te heffen.

4.Het standpunt van de ouders

De ouders zijn het eens met het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen. Zij zijn het niet eens met het verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad toe. Dat betekent dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld tot hij meerderjarig is, dus tot 25 augustus 2026. De kinderrechter wijst het verzoek van de GI af. Dat betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd. Daarnaast heft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing op met ingang van 24 april 2026. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
Ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] [minderjarige] wordt nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De zorgen die beschreven staan in de beschikking waarin [minderjarige] voorlopig onder toezicht is gesteld zijn nog niet weggenomen. De GI heeft drugstesten overgelegd waaruit blijkt dat de ouders positief zijn getest op het gebruik van GHB. Tijdens de zitting heeft de GI daaraan toegevoegd dat de moeder daarnaast positief is getest op het gebruik van cocaïne en XTC. De moeder geeft daar een verklaring voor en laat nader onderzoek uitvoeren op deze afgenomen uitslagen. Uit dat onderzoek moet nog blijken of klopt wat zij hierover zegt, maar vooralsnog kan de kinderrechter alleen uitgaan van de positieve testen. De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, daar zijn de zorgen te groot voor. Bovendien staan de ouders ook achter een ondertoezichtstelling.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
[minderjarige] wordt over vier maanden achttien jaar. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat hij zich door zijn verblijf op [instelling] gestraft voelt en dat zijn toekomstplannen door deze plaatsing stilliggen. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat er binnenkort een plek beschikbaar is voor [minderjarige] op een groep in Utrecht. Vanuit deze groep kan worden toegewerkt naar zelfstandig begeleid wonen. Maar [minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat hij dit plan niet ziet zitten en heeft aangekondigd weg te zullen lopen bij een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Verder is bekend geworden dat het zestienjarige broertje van [minderjarige], [D], op dit moment wel bij de ouders woont. De kinderrechter kan niet verantwoorden of uitleggen aan [minderjarige] waarom hij niet bij de ouders mag wonen, maar [D] wel. Voor de korte periode die er nu nog is tot [minderjarige] achttien jaar wordt, ziet de kinderrechter niet in wat de machtiging tot uithuisplaatsing hem nog gaat brengen, anders dan dat hij er erg ongelukkig van wordt. De kinderrechter volgt de ouders in hun verwachting dat [minderjarige] direct na zijn achttiende verjaardag naar huis terug zal keren. Bovendien is er nu nog de verwachting dat [minderjarige] zijn baan die hij kort voor de uithuisplaatsing was gestart en die mogelijk goede toekomstperspectieven kent, weer op kan pakken. Uit al deze omstandigheden volgt dat het daarom niet in het belang van [minderjarige] is om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen.
5.4.
Het bovenstaande betekent niet dat de kinderrechter geen grote zorgen heeft over de thuissituatie bij de ouders. De kinderrechter vindt dat er op korte termijn hulp in de thuissituatie moet worden ingezet. De ouders hebben tijdens de zitting toegezegd alle hulp die de GI nodig vindt te zullen aanvaarden. De kinderrechter verwacht dat zij zich aan deze toezegging zullen houden. Als uit de extra aangevraagde testen door de moeder blijkt dat de uitslagen van de drugstesten van de ouders toch positief zijn, dan verwacht de kinderrechter dat de ouders ook daarvoor hulp zullen aanvaarden en daarbij eerlijk zullen zijn over hun drugsgebruik. De kinderrechter begrijpt dat enige tijd nodig is voor het inzetten van hulpverlening in de thuissituatie van de ouders, maar vindt ook dat [minderjarige] op korte termijn terug naar huis moet gaan. Op verzoek van de ouders zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing die op 12 maart 2026 is verlengd tot 3 juni 2026 opheffen met ingang van 25 april 2026. Dit betekent dat [minderjarige] uiterlijk 24 april 2026 weer thuis moet zijn.
Samenwerking GI met [minderjarige] en de ouders
5.5.
Voorafgaand aan de machtiging tot uithuisplaatsing had [minderjarige] net een baan in Hilversum. [minderjarige] heeft zijn werkgever tijdens de uithuisplaatsing niet op de hoogte kunnen stellen van de situatie, omdat hij niet over een telefoon beschikt en niet wist wat het telefoonnummer van zijn werkgever is. De kinderrechter verwacht van de jeugdbeschermer dat zij na de zitting samen met [minderjarige] - ook gelet op zijn IQ - contact opneemt met zijn werkgever om zijn baan veilig te stellen. Daarnaast bleek tijdens de zitting dat er nog weinig contact is geweest tussen de ouders en de jeugdbeschermer en dat dit contact alleen telefonisch heeft plaatsgevonden. De kinderrechter verwacht dat er op korte termijn echte gesprekken zullen worden gevoerd tussen de jeugdbeschermer en de ouders zodat de thuisplaatsing van [minderjarige] goed verloopt en de komende maanden de juiste hulpverlening wordt ingezet om [minderjarige] te begeleiden naar volwassenheid. Hierbij dienen zowel de ouders als de GI zich in het belang van [minderjarige] te richten op een goede samenwerking met elkaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige]
5.7.
Tegelijk met deze beschikking stuurt de kinderrechter een brief aan [minderjarige] waarin zij de beslissing uitlegt. In die brief is het volgende opgenomen:
‘’Beste [minderjarige],Onlangs hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Ik had je uitgenodigd omdat mij was verzocht te bepalen dat jij tot je 18 jaar bent onder toezicht blijft staan van Samen Veilig en dat jij tot die tijd uit huis geplaatst blijft. Jij hebt me verteld dat je ongelukkig bent op de groep waar je nu verblijft en dat je graag naar huis wil. Ook heb je verteld dat je niet begrijpt dat [D] wel bij je ouders mag wonen, maar jij niet. Verder hebben wij besproken dat de jeugdbeschermer had geregeld dat jij op korte termijn op een groep in Utrecht kon worden geplaatst en je vanuit daar kon toewerken naar zelfstandig begeleid wonen. Jij gaf aan dat je niet naar Utrecht wilt, maar naar huis en dat je zal weglopen als de machtiging tot uithuisplaatsing toch verlengd zou worden. Na het gesprek spraken we af dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn, net zoals de vorige keer dat we elkaar hebben gesproken. Daarom schrijf ik je nu deze brief.Tijdens de zitting heb ik met jouw ouders gepraat. Verder was er iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. En Samen Veilig was er ook. Ik heb tijdens de zitting verteld wat jij tegen mij hebt gezegd in ons gesprek en je ouders hebben mij verteld wat zij van de verzoeken vinden. Aan het einde van de zitting heb ik nagedacht over mijn beslissing, en daarna heb ik aan iedereen verteld wat mijn beslissing is. Je hebt misschien al van je ouders of de jeugdbeschermer gehoord wat ik heb beslist, maar zoals afgesproken vertel ik je dat ook nog in deze brief.Mijn beslissing is dat jij tot je 18 jaar bent onder toezicht blijft staan van Samen Veilig. Dit betekent dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die hulpverlening voor jou en je ouders kan inzetten. Met deze beslissing waren je ouders het ook eens.
Ook heb ik beslist dat jij uiterlijk 24 april 2026 weer bij je ouders gaat wonen. Ik neem deze beslissing omdat jij bijna 18 jaar bent en over een paar maanden zelf mag beslissen waar je gaat wonen. Jij wil graag terug naar je ouders en ziet het niet zitten om naar een groep in Utrecht te gaan. Ik denk dus ook dat jij dat na je 18e terug zult gaan naar je ouders om daar weer te wonen. Verder vond ik het niet logisch om te beslissen dat jij niet thuis mag wonen, terwijl [D] dat wel mag.
Ik heb zeker nog wel zorgen over de situatie bij jouw ouders. Met de jeugdbeschermer heb ik daarom afgesproken dat zij voordat jij weer thuis gaat wonen hulpverlening voor je ouders gaat regelen. Jouw ouders zeggen bijvoorbeeld dat ze geen drugs (meer) gebruiken, maar uit drugstesten blijkt dat dit wel zo is. Jouw ouders zeggen dat daar een reden voor is en hebben een extra test aangevraagd. Die uitslag moet nog komen. Jouw ouders hebben gezegd dat zij alle hulp accepteren die de jeugdbeschermer aanbiedt en nodig vindt. Als uit de testen toch blijkt dat jouw ouders wel drugs gebruiken, dan ga ik er vanuit dat ze ook daar hulp voor accepteren.
Voordat je op de groep werd geplaatst had je een leuke baan in Hilversum. Je vertelde tijdens ons gesprek dat je niet hebt kunnen uitleggen aan je werkgever waarom je opeens niet meer bent komen werken. Ik heb aan de jeugdbeschermer gevraagd of zij samen met jou je werkgever kan bellen om uit te leggen wat er is gebeurd en kan regelen dat jij snel weer aan het werk kan. Ik ga er van uit dat zij dat in de afgelopen periode heeft opgepakt. Ik hoop dat dat daarom in orde is gekomen.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat ik heb beslist en waarom ik die beslissing heb genomen. Ik wens je heel veel succes met jouw eigen toekomstplannen.’’

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 10 april 2026 tot 25 augustus 2026;
6.2.
heft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder op met ingang van 25 april 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 23 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.