Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2292

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/16/605359 / JE RK 26-56
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met functionele neurologische stoornis

De kinderrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 april 2026 een beschikking gegeven waarin de ondertoezichtstelling van een minderjarige met een functionele neurologische stoornis wordt verlengd tot 25 februari 2027. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor een kortere periode tot 25 augustus 2026, met het oog op het versnellen van de hulpverlening.

De minderjarige verblijft in een gezinshuis en ontwikkelt zich daar goed, ondanks de ernstige bedreiging van haar ontwikkeling die nog steeds aanwezig is. De moeder en een andere belanghebbende zijn belast met het ouderlijk gezag. De moeder stemt in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

De kinderrechter stelt vast dat de zorgen over de minderjarige, met name in de omgang met de moeder, nog niet zijn weggenomen. De moeder lijkt onvoldoende open te staan voor reflectie op haar eigen handelen, wat de hulpverlening bemoeilijkt. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen, maar slechts voor vier maanden om vaart te maken met het inzetten van passende hulpverlening. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot augustus 2026 om de hulpverlening voort te zetten en terugval te voorkomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/605359 / JE RK 26-56
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige (voornaam)] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende 1],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.S. Krol,
en
[belanghebbende 2],
hierna te noemen mevrouw [belanghebbende 2] ,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft eerder een beschikking afgegeven in deze procedure op 25 februari 2026. De kinderrechter heeft toen de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 25 april 2026 en de beslissing op de rest van het verzoek aangehouden.
1.2.
Voor het procesverloop tot 25 februari 2026 verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 25 februari 2026. De kinderrechter heeft daarna ontvangen:
  • het bericht met bijlage van de GI van 31 maart 2026;
  • het bericht met bijlage van de moeder van 8 april 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling (zitting) met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [belanghebbende 2] ;
  • de GI, vertegenwoordigd door [A] en [B] . van [instelling] .
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige (voornaam)] naar haar mening gevraagd. [minderjarige (voornaam)] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige (voornaam)] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.5.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting op 10 april 2026 mondelinge uitspraak gedaan. Deze beschikking is een uitwerking van die beslissing.

2.De feiten

2.1.
De moeder en mevrouw [belanghebbende 2] zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.2.
[minderjarige (voornaam)] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft [minderjarige (voornaam)] op 10 december 2024 (voorlopig) onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is vervolgens steeds verlengd, voor de laatste keer tot 25 april 2026.
2.4.
Vervolgens heeft de kinderrechter van deze rechtbank bij beschikking van 5 maart 2025 een machtiging verleend om [minderjarige (voornaam)] dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin/gezinshuis tot 2 april 2025. Ook deze machtiging is daarna verlengd tot 25 april 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] te verlengen tot 25 februari 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De moeder voert geen verweer tegen de ondertoezichtstelling. De moeder is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4.2.
Mevrouw [belanghebbende 2] is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling tot 25 februari 2027. Daarnaast verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden, dus tot 25 augustus 2026, en houdt de beslissing voor de overige zes maanden aan. De kinderrechter legt deze beslissing hierna uit.
Ondertoezichtstelling
5.2.
Uit de stukken en het gesprek tijdens de zitting volgt dat is voldaan aan het wettelijk criterium voor een ondertoezichtstelling (artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek). De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig. [minderjarige (voornaam)] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Het gaat nu goed met [minderjarige (voornaam)] . Zij ontwikkelt zich goed in het gezinshuis. Zij heeft het daar naar haar zin en de achterstanden op school heeft zij ingehaald. Zij ontwikkelt zich sociaal, doet aan sport en vertoont geen pijnklachten. Maar het is nog niet gelukt om met inzet van hulpverlening de zorgen die er over [minderjarige (voornaam)] zijn in het contact met haar moeder weg te nemen. De kinderrechter heeft er geen vertrouwen in dat dit in het vrijwillig kader van de grond gaat komen. Dit is eerder geprobeerd en niet gelukt. De doelen die eerder binnen de ondertoezichtstelling zijn gesteld zijn nog niet behaald. De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
5.3.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat binnen de ondertoezichtstelling wordt gewerkt aan de volgende doelen:
  • [minderjarige (voornaam)] leert goed haar grenzen aangeven;
  • [minderjarige (voornaam)] woont op een veilige plek met verzorgers die kunnen aansluiten bij wat zij nodig heeft, ook als zij weer bij de moeder gaat wonen;
  • [minderjarige (voornaam)] krijgt duidelijkheid over haar perspectief en ziektebeeld. Het NIKA-traject moet duidelijkheid brengen over het perspectief van [minderjarige (voornaam)] . Wellicht kan [minderjarige (voornaam)] zelf gesprekken voeren over haar functionele neurologische stoornis (FNS) met een nog in te schakelen deskundige, bijvoorbeeld de neuroloog die haar gezien heeft in het [ziekenhuis] ;
  • de moeder kan aansluiten bij wat [minderjarige (voornaam)] nodig heeft, zowel als het gaat over haar FNS als wanneer het gaat over algemene opvoedvaardigheden.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek). De zorgen over [minderjarige (voornaam)] ten tijde van de uithuisplaatsing waren erg groot. [minderjarige (voornaam)] was ziek thuis en had heel veel pijn, zoveel pijn dat ze er niet van kon slapen. Er waren zorgmeldingen gedaan door de school van [minderjarige (voornaam)] en de buurvrouw en haar dochter. Uit die meldingen kwam naar voren dat [minderjarige (voornaam)] in de buurt van de moeder heel ziek was en als de moeder niet in de buurt was minder ziek was. Ook kwam naar voren dat de moeder [minderjarige (voornaam)] geen ruimte gaf en sociaal isoleerde. Deze zorgen doen niets af aan de diagnose FNS die gesteld is, hierover is geen discussie. Maar het zijn zorgen over hoe de moeder in dit kader met [minderjarige (voornaam)] omging. De advocaat van de moeder heeft een brief overgelegd van een FNS expert, de heer [C] , waaruit volgens haar zou blijken dat de zorgen die er waren om [minderjarige (voornaam)] allemaal verklaard kunnen worden door FNS. De kinderrechter leest die brief niet op dit manier. De moeder stelt dat dat als er de juiste hulp wordt ingezet door hulpverleners met kennis van FNS, onder andere door de heer [C] , en de moeder handvatten krijgt hoe zij in de interactie met [minderjarige (voornaam)] moet omgaan met [minderjarige (voornaam)] ’s FNS, dat [minderjarige (voornaam)] op die manier nu gefaseerd thuis kan worden geplaatst. De GI geeft echter aan dat dit niet de oplossing is, omdat de moeder niet open lijkt te staan voor enige reflectie op haar eigen handelen richting [minderjarige (voornaam)] , anders dan verbonden aan de FNS die [minderjarige (voornaam)] heeft. De GI voegt daaraan toe dat in de omgang tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] zorgelijke dingen worden gezien, zowel door de huidige omgangsbegeleider als door de GI zelf, die niet enkel over de FNS-problematiek gaan. [minderjarige (voornaam)] lijkt zich niet goed tot de moeder te kunnen verhouden. De GI constateert dat ieder gesprek over hoe de moeder hier zelf een verbetering in aan kan brengen strandt op het stellen van vragen van de moeder over de situatie en dat zij steeds zegt dat het door de FNS van [minderjarige (voornaam)] komt. De kinderrechter herkent deze beschrijving uit de verslaglegging van het traject van GGZ Drenthe in [plaats] . Zonder de mogelijkheid van de moeder om naar haar eigen handelen te kijken, zonder te verwijzen naar de FNS, komt er geen verbetering tot stand. Hulpverleners kunnen dan niet met de moeder tot de kern van het probleem komen en dus ook niet tot een oplossing.
5.5.
Net als de GI vindt de kinderrechter het een te groot risico om [minderjarige (voornaam)] nu terug te plaatsen bij de moeder. De zorgen over [minderjarige (voornaam)] die er waren bij de uithuisplaatsing waren te groot en [minderjarige (voornaam)] ontwikkelt zich in het gezinshuis heel goed. Zonder duidelijke inzichten en kaders in de thuissituatie bij de moeder is het risico op een terugval bij [minderjarige (voornaam)] te groot en dat risico wil de kinderrechter niet nemen. Op dit moment is nog niet duidelijk welke hulp er thuis bij de moeder plaats zou vinden en of de moeder dan wel kan kijken naar haar eigen aandeel in de situatie. Hier komt bij dat in de zorgelijke situatie ten tijde van de uithuisplaatsing de moeder het niet goed vond dat de Raad en de GI zelf zicht kregen op hoe het thuis met [minderjarige (voornaam)] ging. Zicht is juist wat nodig is om te voorkomen dat - voor zover haar FNS dat toelaat - [minderjarige (voornaam)] zich weer zo gaat voelen als tijdens de uithuisplaatsing. Bovendien heeft [minderjarige (voornaam)] tijdens het gesprek met de kinderrechter gezegd dat zij anderhalf uur contact per week met de moeder voldoende vindt. De kinderrechter kan daar niet zomaar aan voorbij gaan.
5.6.
De kinderrechter wijst het verzoek slechts voor vier maanden toe omdat de kinderrechter wil dat er vaart gemaakt wordt. De GI moet een knoop gaan doorhakken op de vraag welke hulpverlening ingezet kan worden. Het lijkt de kinderrechter goed dat de videointeractiebegeleiding, die onderdeel uitmaakt van het NIKA-traject, naar voren wordt gehaald, zoals de GI tijdens de zitting heeft toegelicht. Ook moet worden gekeken of de omgang tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] uitgebreid kan worden, ook als [minderjarige (voornaam)] zelf aangeeft dat dit wat haar betreft niet hoeft. Kleine stappen zouden daarin wel gezet kunnen worden. Op die manier kan de GI monitoren hoe de moeder reageert op de nieuwe inzichten en of zij naar feedback kan luisteren. De GI heeft tijdens de zitting ook toegelicht dat zij deze zaak wil bespreken met het Centrum Consultatie en Expertise waarbij verschillende experts mee gaan kijken. Dit lijkt de kinderrechter een goed idee. Dit is een atypische zaak waarbij het voorstelbaar is dat de input vanuit verschillende expertises nodig is.
5.7.
De kinderrechter verzoekt de GI de kinderrechter en de advocaat van de moeder uiterlijk op
25 juli 2026te informeren over de actuele stand van zaken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] tot 25 februari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een gezinsgerichte voorziening tot 25 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 25 augustus 2026, voor welke zitting de GI, de moeder en haar advocaat en mevrouw [belanghebbende 2] dienen te worden opgeroepen;
6.5.
verzoekt de GI om de kinderrechter en de advocaat van de moeder uiterlijk op 25 juli 2026 te informeren over de huidige stand van zaken.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tekst