Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2308

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
11843238 \ MC EXPL 25-4583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 lid 1 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 7:767 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen bij geschil over schilderwerk en betaling aannemingsovereenkomst

Eiser heeft gedaagde ingeschakeld voor het schilderen van twaalf studio's, waarbij een mondelinge termijn was afgesproken die niet als fatale oplevertermijn werd aangemerkt. Eiser stelde de overeenkomst partieel te hebben ontbonden wegens niet tijdige oplevering en vorderde terugbetaling en schadevergoeding. Gedaagde vorderde betaling van het restant van de aanneemsom.

De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van een fatale termijn en dat eiser geen geldige ingebrekestelling had gedaan, waardoor gedaagde niet in verzuim was. De buitengerechtelijke ontbinding was daarom onterecht en de vorderingen van eiser werden afgewezen. Ook de vordering van gedaagde tot betaling van het restantbedrag werd afgewezen omdat de werkzaamheden nog niet waren afgerond en de vordering niet opeisbaar was.

Daarnaast werd geoordeeld dat eiser geen hersteltermijn had geboden voor de gebreken en dat het inschakelen van een derde voor herstel voor eigen rekening kwam. Beide partijen werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vorderingen van eiser en gedaagde worden afgewezen; partijen worden veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11843238 \ MC EXPL 25-4583
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S. van Ee,
tegen
[gedaagde]h.o.d.n.
[handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. al Omari.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 augustus 2025 met producties 1 tot en met 8,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie met producties 9 tot en met 13,
- de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] heeft [gedaagde] ingeschakeld om twaalf van zijn studio’s te schilderen. [eiser] stelt dat [gedaagde] de werkzaamheden niet goed en niet binnen de mondeling overeengekomen termijn heeft uitgevoerd. Hij stelt daarom de overeenkomst partieel te hebben vernietigd en vordert terugbetaling van een bedrag van € 10.120,00 en een bedrag van € 5.585,00 aan schadevergoeding. [gedaagde] betwist een fatale termijn te zijn overeengekomen en betwist in gebreke te zijn gesteld. In reconventie vordert [gedaagde] vervolgens nakoming van de overeenkomst en dus betaling van € 7.550,00, vermeerderd met rente en kosten.
De kantonrechter wijst zowel de vorderingen van [eiser] als de vorderingen van [gedaagde] af.

3.De beoordeling

in conventie
De overeenkomst
3.1
[eiser] heeft een woning, onderverdeeld in twaalf studio’s, aangekocht voor de verhuur. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] deze studio’s zou schilderen voor een totaalbedrag van € 21.500,00. Van dit totaalbedrag heeft [eiser] een bedrag van € 13.950,00 al betaald. [gedaagde] is vervolgens in de week van 23 september 2024 aangevangen met de werkzaamheden.
De vordering van € 10.210,00 wordt afgewezen
3.2
[eiser] vordert een bedrag van € 10.210,00. Hij stelt dat in februari 2025 de werkzaamheden nog niet gereed waren, terwijl deze in november 2024 al klaar hadden moeten zijn. [eiser] heeft daarom op 28 februari 2025 per brief de overeenkomst partieel ontbonden en [gedaagde] een termijn van 15 dagen gegeven om hem een bedrag van € 10.210,00 terug te betalen. [eiser] had immers een bedrag van € 13.950,00 betaald, terwijl [gedaagde] maar voor een bedrag van € 3.830,00 aan werkzaamheden heeft verricht, aldus [eiser] .
3.3
Artikel 6:83 aanheft Pro en onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt als een voor voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen. [eiser] stelt dat hiervan sprake is, omdat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de werkzaamheden in november 2024 gereed zouden zijn en [gedaagde] deze termijn niet heeft gehaald. [gedaagde] betwist dat een fatale oplevertermijn is overeengekomen. Volgens hem hebben partijen vanaf het begin van de opdracht met een gefaseerde uitvoering gewerkt, waarbij eerst enkele appartementen verhuurklaar zouden worden gemaakt en de verdere afwering in een later stadium zou volgen.
3.4
De kantonrechter komt tot het oordeel dat geen sprake is van een fatale termijn. Nergens uit blijkt dat november 2024 als harde einddatum overeengekomen is. Sterker nog, [eiser] stelt zelf in haar dagvaarding dat [gedaagde] bij aanvang van de werkzaamheden aan [eiser] heeft medegedeeld in november 2024 klaar te willen zijn, omdat hij daarna anderen werkzaamheden had ingepland en dit op voorhand niet met [eiser] was overeengekomen of besproken. Er kan dus niet worden vastgesteld dat er een voldoende bepaalde termijn is overeengekomen.
3.5
Dat betekent dat voor verzuim een ingebrekestelling nodig is. Artikel 6:82 lid 1 BW Pro bepaalt dat die ingebrekestelling schriftelijk moet zijn waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming van zijn verbintenis wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft. In dit geval heeft [eiser] op 28 februari 2025 de overeenkomst schriftelijk ontbonden en [gedaagde] een termijn gegeven om [eiser] een bedrag van € 10.210,00 terug te betalen. [gedaagde] wordt in deze brief niet de gelegenheid geboden om zijn verbintenis uit de overeenkomst alsnog na te komen. De brief van 28 februari 2025 kwalificeert dan ook niet als een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW Pro. Verder is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] nog op een ander moment schriftelijk een termijn is geboden tot nakoming van de overeenkomst. [eiser] heeft op Whatsapp aan (een medewerker van) [gedaagde] wel gevraagd om een planning, maar ook toen is geen redelijke termijn tot nakoming geboden. Er is dus geen ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW Pro aan [gedaagde] gestuurd.
3.6
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] niet in verzuim verkeert. De buitengerechtelijke partiële ontbinding was daarom onterecht. Een grond voor terugbetaling van het bedrag van € 10.210,00 ontbreekt dan ook. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen.
De vordering van € 5.585,00 wordt afgewezen
3.7
[eiser] vordert daarnaast nog een bedrag van € 5.585,00. Dit bedrag is volgens [eiser] schade die hij heeft geleden, omdat hij een derde heeft moeten inschakelen om het werk dat [gedaagde] heeft uitgevoerd, opnieuw te laten doen. Het werk dat [gedaagde] had uitgevoerd was volgens [eiser] van zeer onbehoorlijke kwaliteit. [eiser] heeft foto’s van de gebreken overgelegd ter onderbouwing. Niet gesteld of gebleken is echter dat [gedaagde] op de hoogte is gesteld van deze gebreken, laat staan een termijn is gegund voor herstel. In de brief van 28 februari 2025 en de overgelegde Whatsapp-berichten is daar in ieder geval niets over gemeld aan [gedaagde] . [gedaagde] was op dat moment dus nog niet in verzuim. [eiser] heeft vervolgens in maart 2025 al een derde ingeschakeld om onder meer het door [gedaagde] uitgevoerde werk opnieuw te laten doen, waardoor herstel door [gedaagde] onmogelijk is geworden. Dat komt voor rekening van [eiser] . In het midden kan dus blijven of [gedaagde] gebrekkig werk heeft opgeleverd. De vordering van € 5.585,00 zal worden afgewezen.
De proceskosten
3.8
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
3.9
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De vordering is niet opeisbaar
3.1
[gedaagde] vordert betaling van € 7.550,00. Dit is het restant van de overeengekomen aanneemsom. De opdrachtgever kan slechts worden verplicht tot het doen van betalingen die overeenstemmen met de voortgang van de werkzaamheden (zie artikel 7:767 BW Pro), tenzij er andere betalingsafspraken zijn gemaakt. Niet in geschil is dat de werkzaamheden nog niet zijn afgerond en de werkzaamheden die gelijk staan aan de waarde van het restant van de aanneemsom, nog niet zijn uitgevoerd. Nergens uit volgt dat partijen hebben afgesproken dat het restant van de aanneemsom al voor het uitvoeren van die werkzaamheden betaald moest zijn. [eiser] voert dan ook terecht aan dat geen sprake is van een opeisbare vordering aan de kant van [gedaagde] . De kantonrechter wijst de vordering van [gedaagde] daarom af.
De proceskosten
3.11
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 822,00 (2 punten x € 339,00 en € 144,00 aan nakosten).
3.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3 veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
4.4
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 822,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en reconventie
4.7
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.