Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2334

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12083954 \ AE VERZ 26-8
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670 lid 1 BWArt. 7:670 lid 2 BWArt. 7:681 lid 1 sub a BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Billijke vergoeding wegens onrechtmatige opzegging arbeidsovereenkomst tijdens ziekte en bevallingsverlof

De werknemer was van mei 2022 tot december 2025 in dienst bij de werkgever, laatstelijk met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een ontbindende voorwaarde voor het behalen van een diploma Social Work. De werknemer was sinds januari 2025 ziek en beviel in juli 2025, waardoor zij bevallingsverlof genoot tot december 2025.

De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 december 2025, maar heeft niet de ontbindende voorwaarde formeel ingeroepen en heeft gehandeld in strijd met het opzegverbod tijdens ziekte en bevallingsverlof. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging niet rechtsgeldig is en kent een billijke vergoeding toe.

De werknemer had verzocht om een vergoeding van €90.000, maar de kantonrechter stelt vast dat de loonschade niet onderbouwd is voor twee jaar en dat het ontbreken van het diploma de voortzetting van de arbeidsovereenkomst beperkt zou hebben. De vergoeding wordt vastgesteld op €20.000 bruto, gebaseerd op acht maanden loon, als compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

De proceskosten worden aan de werkgever opgelegd en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is onrechtmatig opgezegd tijdens ziekte en bevallingsverlof, waardoor de werkgever een billijke vergoeding van €20.000 aan de werknemer moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 12083954 \ AE VERZ 26-8
Beschikking van 1 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigden: mr. M.J. Giltjes en mr. R.J.J. Boekhorst,
tegen
[verweerder] B.V.handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: mr. J.M. O’Keefe.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met producties 1 tot en met 27 van [verzoekster] , door de griffie van de rechtbank ontvangen op 30 januari 2026;
  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 22 van [handelsnaam] ;
  • de mondelinge behandeling van 3 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
  • de spreekaantekeningen van [verzoekster] ;
  • de pleitnotitie van [handelsnaam] .
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling is [verzoekster] verschenen, samen met de gemachtigden. Namens [handelsnaam] is verschenen mevrouw [A] (zorgmanager) en mevrouw [B] (directrice), samen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij de gemachtigden gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er een beschikking zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1994, is van 1 mei 2022 tot 1 december 2025 in dienst geweest bij [handelsnaam] , laatstelijk in de functie van [functie] met een salaris van € 2.379,80 bruto per maand op basis van 24 uur per week. In deze procedure staat ter discussie of de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige wijze is geëindigd en of, nu [verzoekster] heeft berust in het einde van de arbeidsovereenkomst per
1 december 2025, aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. De kantonrechter komt hierna tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met een opzegverbod. Het verzoek van [verzoekster] tot betaling van een billijke vergoeding wordt daarom toegewezen tot een (gematigd) bedrag van € 20.000,00 bruto.

3.De beoordeling

De achtergrond van deze zaak
3.1
Op 1 mei 2022 is [verzoekster] bij [handelsnaam] in dienst getreden in de functie van [functie] . De overeenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van zes maanden is per 1 november 2022 verlengd voor de duur van één jaar. Vervolgens is op 4 september 2023 aan [verzoekster] medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd nog eens werd verlengd tot 1 november 2024. Naast de werkzaamheden die [verzoekster] op basis van deze arbeidsovereenkomsten uitoefende, was zij bezig met de opleiding Social Work aan de Hogeschool van Utrecht.
3.2
Partijen zijn vanaf 1 november 2024 met elkaar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, waarbij [verzoekster] de functie van [functie] uitoefende. In die arbeidsovereenkomst is in artikel 16 een Pro ontbindende voorwaarde opgenomen. Die luidt:
“Werknemer dient uiterlijk 15 september 2025 het diploma behorende bij de opleiding Social Work, met uitstroom profiel jeugd bij opleidingsinstituut Hogeschool van Utrecht, aan werkgever te overleggen.
Is voornoemde datum verstreken dan is werkgever gerechtigd het dienstverband te ontbinden middels schriftelijke opzegging met in achtneming van een opzegtermijn van één maand. Dit contract zal dan per 1 november 2025 van rechtswege eindigen.”
3.3
Op 17 januari 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. In de periode daarna heeft zij geen werkzaamheden voor [handelsnaam] verricht. Vervolgens is [verzoekster] zwanger geraakt en is zij op 26 juli 2025 (drie maanden te vroeg) bevallen van haar dochter. Zij genoot als gevolg daarvan een bevallingsverlof tot december 2025.
3.4
Na telefonisch contact met [verzoekster] met een collega op 5 september 2025 heeft [handelsnaam] op 10 september 2025 aan [verzoekster] een brief verzonden, waarin staat:
“(…) Jouw contract wordt van rechtswegen beëindigd aangezien jij niet hebt voldaan aan de voorwaarden in artikel 16 van Pro je arbeidsovereenkomst. (…) In de arbeidsovereenkomst staat aangegeven dat het contract eindigt op 1 november 2025. Dit is niet juist. Wij hanteren een opzegtermijn van 2 maanden. Daarom eindigt het contract op 1 december 2025. (…).
3.5
Na de brief van 10 september 2025 heeft [handelsnaam] aan [verzoekster] aangeboden om een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Daartoe was [verzoekster] niet bereid. Op 4 december 2025 heeft [handelsnaam] vervolgens per brief aan [verzoekster] laten weten dat het dienstverband per
1 december 2025 werd voortgezet. [verzoekster] heeft op 12 december 2025 aan [handelsnaam] laten weten dat zij berust in het einde van de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025.
De verzoeken tot betaling van niet-genoten vakantie-uren, betaling van een opgebouwd individueel keuzebudget en het verstrekken van een urenspecificatie zijn ingetrokken
3.6
[verzoekster] heeft aanvankelijk – naast het verzoek tot betaling van een billijke vergoeding – ook verzocht om [handelsnaam] te veroordelen tot betaling van niet-genoten vakantie-uren en opgebouwd individueel keuzebudget en om [handelsnaam] te veroordelen tot het verstrekken van een urenspecificatie. Die verzoeken zijn tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken.
[handelsnaam] heeft geen ontbindende voorwaarde ingeroepen; zij heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd
3.7
[handelsnaam] doet in deze procedure een beroep op het inroepen van de ontbindende voorwaarde in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst. Een beroep op een ontbindende voorwaarde heeft tot gevolg dat de overeenkomst met het plaatsvinden van een gebeurtenis eindigt. In dit geval betekent dat dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen wanneer uiterlijk op 15 september 2025 geen diploma Social Work kon worden overgelegd door [verzoekster] waarbij als einddatum 1 november 2025 is overeengekomen. Partijen discussiëren over de rechtsgeldigheid van de overeengekomen ontbindende voorwaarde, maar geoordeeld wordt dat van het inroepen van een ontbindende voorwaarde geen sprake is geweest. [handelsnaam] heeft namelijk niet gehandeld zoals is overeengekomen in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst. Allereerst heeft [handelsnaam] nagelaten voor, op of kort na 15 september 2025 formeel bij [verzoekster] na te gaan of zij het diploma op de uiterste datum zou behalen. En daarnaast staat in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst dat de arbeidsovereenkomst bij het niet halen van het diploma zal eindigen (van rechtswege) per 1 november 2025, terwijl in de brief van 10 september 2025 van [handelsnaam] staat dat [handelsnaam] een opzegtermijn van twee maanden hanteert. [handelsnaam] heeft met die opzegtermijn van twee maanden in de brief van 10 september 2025 de arbeidsovereenkomst met [verzoekster]
opgezegdper 1 december 2025 en daarmee dus niet de ontbindende voorwaarde ingeroepen. Getoetst moet daarom worden of sprake is van een rechtsgeldige opzegging door [handelsnaam] .
[handelsnaam] heeft niet rechtsgeldig opgezegd, want er is sprake van een opzegverbod
3.8
De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd door [handelsnaam] , omdat in de wet opzegverboden zijn bepaald en [handelsnaam] in strijd heeft gehandeld met twee van die opzegverboden. In artikel 7:670 lid 1 BW Pro is allereerst bepaald dat de werkgever niet kan opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid (kort gezegd) twee jaar heeft geduurd of een aanvang heeft genomen nadat een schriftelijke toestemming tot opzegging bij het UWV is ingediend. [verzoekster] is sinds 17 januari 2025 arbeidsongeschikt en van de genoemde uitzonderingen is geen sprake. Tijdens de opzegging op 10 september 2025 gold daarom dit opzegverbod. Vervolgens is in artikel 7:670 lid 2 BW Pro bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst van de werkneemster niet kan opzeggen gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof geniet. Ook daarvan was op 10 september 2025 sprake, aangezien het bevallingsverlof nog tot december 2025 duurde. Dit betekent dat [handelsnaam] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:670 lid 1 en Pro 2 BW, waardoor de opzegging niet rechtsgeldig is.
[handelsnaam] moet aan [verzoekster] een billijke vergoeding betaling van € 20.000,00 bruto
3.9
Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. [1] [handelsnaam] heeft immers opgezegd in strijd met artikel 7:670 BW Pro. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
3.1
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [2] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.11
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 20.000,00 bruto. [verzoekster] heeft verzocht om een billijke vergoeding van € 90.000,00 gebaseerd op loonschade van twee bruto jaarsalarissen met een extra vergoeding van 50% ter compensatie van de psychische gevolgen die de beëindiging van het dienstverband voor [verzoekster] heeft gehad en ter afschrikking van [handelsnaam] om nogmaals voor een soortgelijk ontslag te kiezen.
3.12
Dat een loonschade van twee bruto jaarsalarissen aan de orde is, volgt de kantonrechter niet. Allereerst is over de mate van arbeidsongeschiktheid en de verwachte duur niets bekend in deze procedure, waardoor niet is onderbouwd dat die arbeidsongeschiktheid nog twee jaar zou kunnen duren. En in het geval [verzoekster] niet nog twee jaar lang arbeidsongeschikt zou zijn, kan ook niet zonder meer worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou hebben voortgeduurd. Weliswaar was de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, maar onbetwist is dat tussen partijen meerdere keren is gesproken over het halen van het in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst genoemde diploma. Het staat vast dat [verzoekster] nog geen diploma voor haar opleiding heeft gehaald. Volgens [verzoekster] was dit diploma geen vereiste voor de uitoefening van de functie van [functie] , omdat zij de werkzaamheden al uitvoerde. Dat standpunt is onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, gelet op de betwisting ervan door [handelsnaam] . [handelsnaam] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat er in het kader van de aanbesteding afspraken zijn met de gemeente, waaruit volgt dat medewerkers, die voor onbepaalde tijd in dienst zijn, in bezit moeten zijn van een diploma, passend bij de werkzaamheden die zij uitvoeren. Via audits en onderzoeken wordt [handelsnaam] gecontroleerd op nakoming van die afspraken. Dit standpunt van [handelsnaam] heeft [verzoekster] niet gemotiveerd weersproken, waardoor de kantonrechter uitgaat van de juistheid ervan. Dit betekent dat de kantonrechter tot de conclusie komt dat [verzoekster] niet over het vereiste diploma beschikte, terwijl dat (uiteindelijk) wel noodzakelijk was voor voortzetting van de arbeidsovereenkomst. De periode dat de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd was door het ontbreken van het diploma hoe dan ook beperkt geweest. Aan een loonschade van twee bruto jaarsalarissen komt de kantonrechter daarom niet.
Maar de kantonrechter meent dat er wel enige loonschade is geleden, die meegenomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Door de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] en het zwangerschaps- en bevallingsverlof daarna was de termijn van het behalen van het diploma voor september 2025 niet meer realistisch. Dat had [handelsnaam] kort na de uitval in januari 2025 al duidelijk moeten zijn en zij had daarover in gesprek moeten gaan met [verzoekster] . Er is niet gebleken in deze procedure dat [handelsnaam] dat heeft gedaan en dat valt haar te verwijten. [handelsnaam] had aan [verzoekster] bijvoorbeeld een verlenging voor het behalen van het diploma kunnen (en moeten) aanbieden die overeenkomt met de duur van de arbeidsongeschiktheid vanaf januari 2025 tot de datum voor het behalen van het diploma. Dat komt neer op acht maanden. De kantonrechter zal het loon over een periode van acht maanden als een billijke vergoeding toekennen aan [verzoekster] , omdat deze vorm van schade is toe te rekenen aan het ernstig verwijt dat [handelsnaam] valt te maken in haar aanpak vanaf januari 2025. Dit komt neer op een afgerond bedrag van € 20.000,00 bruto.
3.13
De kantonrechter ziet geen reden om bovenop dit bedrag van de billijke vergoeding een extra vergoeding van 50% toe te kennen. De kantonrechter begrijpt dat de situatie voor [verzoekster] ingrijpend is geweest en dat de mededeling tijdens haar verlof dat een beroep zou worden gedaan op artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst en het daaropvolgende aanbod van een vaststellingsovereenkomst niet in positieve zin heeft bijgedragen aan de gesteldheid van [verzoekster] , maar dit rechtvaardigt niet zonder meer de conclusie dat er een compensatie van 50% moet worden toegekend. Daarvoor heeft [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld over haar psychische gesteldheid in relatie tot de handelingen van [handelsnaam] .
3.14
[handelsnaam] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 20.000,00 bruto. Daarmee wordt – gelet op het voorgaande – het subsidiair verzoek van [handelsnaam] om de billijke vergoeding te matigen tot € 6.750,00 bruto afgewezen.
De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
[handelsnaam] moet de proceskosten betalen
3.15
De proceskosten komen voor rekening van [handelsnaam] , omdat [handelsnaam] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 954,00 (€ 233,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.16
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.17
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [handelsnaam] om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 20.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
4.2
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, sub a, BW.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (