Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2416

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
12096281 \ UE VERZ 26-59
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens niet-betaling salaris en toewijzing van schadevergoeding en transitievergoeding

De werknemer was sinds 1 januari 2021 in dienst bij de werkgever, met een dienstverband voor onbepaalde tijd vanaf 1 april 2021. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 8.500 per maand exclusief vakantiegeld. Vanaf oktober 2025 ontving de werknemer geen salaris meer, waarop hij op 8 januari 2026 ontslag op staande voet nam.

De werknemer vorderde onder meer betaling van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, achterstallig salaris en vakantietoeslag. De werkgever verscheen niet en voerde geen verweer. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever door het niet betalen van het salaris een dringende reden gaf voor het ontslag en wees de vorderingen toe.

De gefixeerde schadevergoeding werd vastgesteld op € 16.273,63, de transitievergoeding op € 16.120,00, het achterstallige loon op € 10.431,82 en de vakantietoeslag op € 4.914,55. Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 875,00 en proceskosten van € 1.565,60. Tevens werd de werkgever verplicht een schriftelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, met een dwangsom bij niet-naleving.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer toe en veroordeelt de werkgever tot betaling van schadevergoeding, transitievergoeding, achterstallig loon, vakantietoeslag, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12096281 \ UE VERZ 26-59 BJvd/61169
Beschikking van 4 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: ARAG SE RECHTSBIJSTAND,
tegen
STICHTING [verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 5,
- de akte vermindering van eis,
- het exploot van oproeping.
1.2
Op 20 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is de heer [verzoeker] verschenen met zijn gemachtigde mr. C. van Vlooten. Namens [verweerder] is niemand verschenen. [verweerder] heeft ook geen stukken ingediend. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[verzoeker] was sinds 1 januari 2021 als werknemer in dienst bij [verweerder] als [functie] . Zijn dienstverband is vanaf 1 april 2021 overgegaan in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris van [verzoeker] bedroeg € 8.500,00 per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op 8 januari 2026 heeft [verzoeker] ontslag op staande voet genomen, omdat hij sinds oktober 2025 geen loon meer had ontvangen. [verzoeker] verzoekt nu onder andere betaling van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding, achterstallig salaris en vakantietoeslag. De kantonrechter wijst de verzoeken toe.

3.De beoordeling

[verweerder] heeft geen verweer gevoerd
3.1
[verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de stellingen van [verzoeker] . De verzoeken van [verzoeker] komen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zullen daarom worden toegewezen zoals verzocht.
[verweerder] moet de gefixeerde schadevergoeding betalen
3.2
[verzoeker] verzoekt betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 16.273,63. Dit bedrag wordt toegewezen. [verweerder] heeft [verzoeker] een dringende reden gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen door gedurende langere tijd zijn salaris niet tijdig te betalen en uiteindelijk helemaal te stoppen met betalen. Daarom moet zij een vergoeding aan [verzoeker] betalen. De vergoeding is bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had horen te duren. Omdat de opzegtermijn één maand is en [verzoeker] op 8 januari 2026 heeft opgezegd, moet [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding betalen over de periode van 8 januari 2026 tot en met 28 februari 2026. [verzoeker] stelt dat de hoogte van dit bedrag na vermeerdering met de vakantietoeslag € 16.273,63 bedraagt en [verweerder] heeft hier geen verweer tegen gevoerd. Het bedrag komt de kantonrechter ook niet ongegrond of onrechtmatig voor.
[verweerder] moet de transitievergoeding, het achterstallige loon en de vakantietoeslag betalen
3.3
[verzoeker] verzoekt betaling van de transitievergoeding, het achterstallige loon en de vakantietoeslag. Omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] , namelijk het niet-betalen van het salaris, moet [verweerder] de transitievergoeding betalen. Volgens [verzoeker] bedraagt de transitievergoeding € 16.120,00 bruto. Ook het achterstallige loon van € 10.431,82 bruto en de vakantietoeslag van € 4.1914,55 bruto moet [verweerder] op grond van de arbeidsovereenkomst aan [verzoeker] betalen. Deze bedragen komen de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en worden toegewezen. [verweerder] moet ook een schriftelijke netto/bruto specificatie verstrekken aan [verzoeker] , waarin bovengenoemde bedragen zijn verwerkt. De verzochte dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor het verstrekken van de specificatie wordt ook toegewezen.
3.4
De verzochte wettelijke rente en de wettelijke verhoging over bovenstaande
bedragen wordt toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.
[verweerder] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.5
[verzoeker] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [verzoeker] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 875,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
3.6
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
753,00
- explootkosten
125,60
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.565,60
3.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:
€ 16.273,63 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 8 januari 2026 tot de dag van volledige betaling;
€ 16.120,00 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 8 februari 2026 tot de dag van volledige betaling
€ 10.431,82 bruto aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van de datum dat het verzuim is ingetreden tot de dag van volledige betaling,
€ 4.914,55 bruto aan vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van de datum dat het verzuim is ingetreden tot de dag van volledige betaling;
€ 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, als deze niet binnen veertien dagen na de betekening van de beschikking zijn betaald;
4.2
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over de in 4.1. sub c en d genoemde bedragen;
4.3
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificatie te verstrekken, waarin de bedragen en betalingen als genoemd onder 4.1 sub a tot en met d zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [verweerder] na de betekening niet voldoet aan de beschikking, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
4.4
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.565,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.5
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.6
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ;
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gewezen door mr. E.F.A. van Buitenen en in het openbaar uitgesproken door mr. I.L. Rijnbout op 4 mei 2026.

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.