Eiser betwistte de aanslag rioolheffing voor het perceel aan een adres in Utrecht, stellende dat zijn woning niet direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Hij wees op eigen zinkputten en het feit dat de pomp niet werkte en er geen water via de gemeentelijke drukriolering werd afgevoerd.
De heffingsambtenaar stelde dat het perceel wel degelijk is aangesloten op de gemeentelijke drukriolering en dat bij harde regenval overtollig hemelwater via een put aan de voorzijde van het perceel wordt afgevoerd. De rechtbank vond dat eiser aannemelijk had gemaakt dat afvalwater niet via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, maar onvoldoende had bewezen dat er geen hemelwater in het gemeentelijk riool terechtkomt.
De rechtbank concludeerde dat ook bij afvoer van een relatief kleine hoeveelheid hemelwater gebruik wordt gemaakt van de gemeentelijke riolering. Daarom is de aanslag rioolheffing op grond van de Verordening terecht opgelegd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, en hij kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.