Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2452

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
17 mei 2026
Zaaknummer
11772490 \ MC EXPL 25-3655
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:84 BWArt. 3:40 lid 1 BWArt. 4:34 WftArt. 6:119 BWArt. 6:204 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging huurkoopovereenkomsten wegens niet uitgevoerde kredietwaardigheidstoets en terugbetaling door kredietgever

De zaak betreft vijf huurkoopovereenkomsten gesloten tussen eiser en gedaagde voor de aankoop van auto's, waarbij eiser als consument handelde. De rechtbank verwijst naar een tussenvonnis waarin werd vastgesteld dat gedaagde niet kon aantonen dat zij de kredietwaardigheid van eiser had getoetst, een vereiste op grond van consumentenbescherming en artikel 4:34 Wft Pro.

De rechtbank oordeelt dat het niet uitvoeren van deze toets leidt tot vernietiging van de huurkoopovereenkomsten. Hierdoor heeft eiser onverschuldigd betaald en moet gedaagde een bedrag van € 22.718,00 terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. Betalingen van € 360,00 en € 2.500,00 zijn niet voldoende onderbouwd en worden niet meegenomen.

In reconventie vordert gedaagde een gebruiksvergoeding, maar deze wordt afgewezen omdat het waardeverlies door normaal gebruik voor rekening van gedaagde blijft. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten in zowel conventie als reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomsten worden vernietigd wegens het niet uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets en gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 22.718,00 met rente.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11772490 \ MC EXPL 25-3655
Vonnis van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.R. Yucesan,
tegen
[gedaagde ] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde ] ,
gemachtigde: J. Bulder.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 februari 2026,
- de akte van [eiser] ,
- de akte van [gedaagde ] .
1.2
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.Waar gaat de zaak over

2.1
Voor een precieze weergave van waar deze zaak over gaat en wat de kantonrechter tot nu tot heeft beslist, wordt verwezen naar het tussenvonnis. In het kort komt dat op het volgende neer.
2.2
[eiser] heeft tussen 2023 en 2025 vijf auto’s gekocht bij [gedaagde ] . Alle auto’s zijn inmiddels weer aan [gedaagde ] terug geleverd. Van de laatste auto (de BMW 3-serie) is in het tussenvonnis al beslist dat [gedaagde ] zich die niet onrechtmatig onder zich houdt. [eiser] heeft voor de aankopen meerdere huurkoopovereenkomsten gesloten met [gedaagde ] . Omdat [eiser] gehandeld heeft als consument, zijn dat overeenkomsten van consumenten-goederenkrediet (artikel 7:84 BW Pro). In het tussenvonnis is overwogen en beslist dat [gedaagde ] zich voldoende heeft gehouden aan de relevante informatieverplichtingen, maar dat niet kan worden vastgesteld of dat ook geldt voor haar verplichting om de kredietwaardigheid van [eiser] te toetsen. In het tussenvonnis is overwogen dat wanneer [gedaagde ] niet aan laatstgenoemde verplichting heeft voldaan, de kantonrechter de huurkoopovereenkomsten zal vernietigen. Partijen zijn in staat gesteld zich over dat voornemen uit te laten en hebben aktes genomen. Die aktes worden in dit eindvonnis beoordeeld.

3.De verdere beoordeling

3.1
De kantonrechter blijft bij alles wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist, en bouwt daarop voort. In dit eindvonnis wordt [gedaagde ] in conventie veroordeeld tot terugbetaling van € 22.718,00, met rente. In reconventie wordt beslist dat [eiser] geen gebruiksvergoeding verschuldigd is. Die oordelen worden hierna uitgelegd.
in conventie
De huurkoopovereenkomsten worden vernietigd
3.2
[gedaagde ] betoogt dat zij subjectief heeft mogen vertrouwen op de kredietwaardigheid van [eiser] op grond van omstandigheden. [eiser] was volgens [gedaagde ] bevriend zijn met goede klanten van [gedaagde ] , had ook een aanbetaling gedaan en de partner van [eiser] zou eerder ook een (zo begrijpt de kantonrechter) dure auto hebben gekocht bij [gedaagde ] . Maar daarmee heeft [gedaagde ] niet aangetoond dat zij naar behoren de kredietwaardigheid van [eiser] objectief en actief heeft onderzocht. [gedaagde ] heeft kennelijk niet gevraagd om inkomensgegevens en overige schulden van [eiser] en heeft dat ook niet onderzocht in de externe registers. [gedaagde ] heeft daarmee niet voldaan aan haar verplichting op dit punt (artikel 4:34 Wft Pro). Het gevolg daarvan is dat de huurkoopovereenkomsten op grond van regels van consumentenbescherming worden vernietigd (ECLI:NL:GHARL:2019:5655 en artikel 3:40 lid 1 BW Pro).
[gedaagde ] moet € 22.718,00 terugbetalen
3.3
Omdat de huurkoopovereenkomsten worden vernietigd, heeft [eiser] onverschuldigd aan [gedaagde ] betaald. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] in ieder geval € 22.718,00 heeft betaald, maar twisten over een betaling per bank van € 360,00 en een contante betaling van € 2.500,00. Die betalingen zijn onvoldoende vast komen te staan. [gedaagde ] heeft concreet gesteld dat de bankbetaling van € 360,00 is gestorneerd en heeft uitdrukkelijk gesteld dat zij geen € 2.500,00 aan contant geld van [eiser] heeft ontvangen. Omdat [eiser] zijn stelling dat hij die bedragen wel heeft betaald niet of onvoldoende nader onderbouwd, gaat de kantonrechter uit van wat [gedaagde ] stelt. [gedaagde ] moet dus (als onverschuldigd betaald) € 22.718,00 aan [eiser] terugbetalen.
Nevenvorderingen in conventie
3.4
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 19 juni 2025, tot de betaling. Dat [eiser] [gedaagde ] eerder heeft gesommeerd tot betaling blijkt niet. [gedaagde ] heeft bovendien de betalingen niet te kwader trouw ontvangen (artikel 6:205 BW Pro) en was daarom niet direct vanaf de ontvangst met terugbetaling in verzuim.
3.5
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Uit wat [eiser] heeft gesteld en aan stukken heeft overgelegd, leidt de kantonrechter af dat de buitengerechtelijke handelingen niet méér hebben omvat dan datgene waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden.
[gedaagde ] moet de proceskosten in conventie betalen
3.6
[gedaagde ] is in conventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde ] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.676,50
3.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in voorwaardelijke reconventie
3.8
In voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde ] dat [eiser] een vergoeding voor het gebruik verschuldigd is, als [gedaagde ] in conventie veroordeeld wordt tot terugbetaling. Aan laatstgenoemde voorwaarde is voldaan. De vordering in reconventie wordt daarom beoordeeld.
[eiser] hoeft geen vergoeding voor het gebruik te betalen
3.9
[gedaagde ] wordt in conventie veroordeeld tot terugbetaling, omdat zij een dwingende verplichting die voortkomt uit Europese consumentenbeschermende regelgeving niet heeft nageleefd. Een dergelijke sanctie moet naar vaste rechtspraak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De gevolgen van vernietiging mogen geen afbreuk doen aan het nuttig effect van de consumentenbeschermende bepalingen. Dit is de maatstaf voor de beoordeling en hierbinnen geldt het volgende.
3.1
[eiser] heeft de auto’s na gebruik teruggegeven. Door het gebruik hebben de auto’s een deel van hun waarde verloren. Voor zover dat normaal waardeverlies is, kan [gedaagde ] dat in principe niet voor rekening van [eiser] laten komen (vergelijk: artikel 6:204 lid 1 BW Pro en zie ook: ECLI:HR:2024:1366). [gedaagde ] stelt wel dat [eiser] de auto’s met schades terug heeft gegeven, maar onderbouwt die stelling op geen enkele manier. Het verlies bestaat kennelijk alleen uit waardevermindering door tijdsverloop en gereden kilometers. Dat is normaal waardeverlies. Dit blijft gezien de hiervoor genoemde maatstaf voor rekening van [gedaagde ] zelf. De vorderingen in reconventie worden daarom afgewezen.
[gedaagde ] moet de proceskosten in reconventie betalen
3.11
[gedaagde ] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op € 577,00 (2 punten × factor 0,5 × € 577,00).
3.12
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
veroordeelt [gedaagde ] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.718,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 19 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde ] in de proceskosten van € 1.676,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3
wijst de vorderingen van [gedaagde ] af,
4.4
veroordeelt [gedaagde ] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5
veroordeelt [gedaagde ] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6
verklaart dit vonnis voor de onderdelen 4.1, 4.2, 4.4 en 4.5 uitvoerbaar bij voorraad,
4.7
wijst het meer of anders in conventie en in reconventie gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
RW1368