Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2463

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
UTR 26/1019
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar inzake een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Nadat verweerder de naheffingsaanslag heeft vernietigd, heeft verzoekster het beroep ingetrokken en een vergoeding van proceskosten gevraagd.

De rechtbank beoordeelt het verzoek op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek. Verzoekster heeft alleen het griffierecht vergoed willen krijgen en geen andere kosten opgegeven of geclaimd.

De rechtbank stelt vast dat er geen kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen en wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af. Het griffierecht van €54,- moet verweerder echter rechtstreeks aan verzoekster vergoeden volgens de wet, zonder dat een veroordeling nodig is.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, griffierecht moet rechtstreeks worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 9 januari 2026 een beslissing op bezwaar genomen en het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster is hiertegen op 31 januari 2026 in beroep gegaan. Op 2 februari 2026 heeft verweerder medegedeeld dat de onderhavige in geschil zijnde naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster.
5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster beoogt dat het griffierecht aan haar wordt vergoed. Verzoekster heeft bij haar intrekking wel een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten, maar stelt vervolgens dat zij alleen het griffierecht vergoed wil hebben. Verzoekster heeft bij haar intrekking ook niet het bijgevoegde formulier ‘opgave proceskosten’ ingevuld. Er zijn dus geen gemaakte kosten geclaimd. Overigens is ook niet gebleken dat verzoekster kosten heeft gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoekster kan zich hiervoor rechtstreeks tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.