Eiseres heeft op 19 augustus 2022 een verzoek om herbeoordeling ingediend bij het UWV. Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist, wat onomstreden is en door verweerder zelf is erkend. Eiseres heeft vervolgens op 6 februari 2026 beroep ingesteld tegen deze niet tijdige beslissing.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 19 februari 2025 heeft ontvangen en sindsdien de wettelijke termijn van twee weken is verstreken zonder beslissing. Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, bepaalt de rechtbank een redelijke beslistermijn van vier maanden na verzending van deze uitspraak.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot betaling van het griffierecht van € 397,- en een proceskostenvergoeding van € 467,- aan eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.