Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. Nadat verweerder op 6 januari 2026 in gebreke werd gesteld, stelde eiseres op 23 januari 2026 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog een besluit moet nemen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn, in dit geval tot uiterlijk 11 januari 2027.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en uitgesproken op 17 maart 2026 in Utrecht. De griffier was verhinderd de uitspraak te ondertekenen.