Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 11 september 2025 tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Verweerder, de Dienst Toeslagen, had de beslistermijn overschreden en was op 21 januari 2026 in gebreke gesteld. Eiser diende het beroep in op 12 maart 2026, na het verstrijken van de wettelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het beroep gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn, uiterlijk 11 maart 2027, een besluit moet nemen. De rechtbank sloot zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn als realistisch beschouwt.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Omdat reeds 42 dagen waren verstreken, stelde de rechtbank de dwangsom vast op €1.442. Verweerder werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€467) en het betaalde griffierecht (€54).