Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2736

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
11811903 MC EXPL 25-4204 BmR/842
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting verkeersboetes vervangende auto na aanrijding

Gedaagde had een auto geleased van een leasemaatschappij en na een aanrijding op 10 juni 2023 gebruikgemaakt van een vervangende auto die door eiseres, een autoschadeherstelbedrijf, ter beschikking was gesteld. Tijdens het gebruik van deze vervangende auto zijn meerdere verkeersovertredingen begaan, waarvoor boetes zijn opgelegd. Deze boetes werden door de leasemaatschappij aan eiseres doorgestuurd en door eiseres betaald. Eiseres vorderde vervolgens betaling van deze boetes plus incassokosten en wettelijke rente van gedaagde.

Gedaagde voerde aan dat zij alleen een overeenkomst had met de leasemaatschappij en niet met eiseres, en dat de boetes te laat waren doorbelast waardoor bezwaar niet meer mogelijk was. De kantonrechter oordeelde dat de betalingsverplichting van gedaagde jegens eiseres voortvloeit uit de relatie tussen partijen en de overeenkomst met de leasemaatschappij. Hoewel de boetes te laat aan gedaagde waren doorgegeven, ontslaat dit haar niet van de betalingsverplichting, mede omdat gedaagde geen beroep heeft ingesteld ondanks de mogelijkheid tot verschoonbare termijnoverschrijding.

De kantonrechter wees het verweer van gedaagde af dat de boetes onterecht waren, omdat zij onvoldoende bewijs leverde voor haar stellingen over onjuistheid van de boetes. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 1.041,36 plus wettelijke rente en proceskosten. De vordering van gedaagde tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van verkeersboetes, incassokosten en wettelijke rente aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 11811903 MC EXPL 25-4204 BmR/842
Vonnis van 6 mei 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. L. Berendsen,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter merkt op dat de gemachtigde van [eiseres] dezelfde achternaam heeft als de kantonrechter. De kantonrechter meent er goed aan te doen te melden dat hij de gemachtigde van [eiseres] niet kent.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie - de conclusie van repliek tevens van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek - de akte uitlating producties aan de zijde van [eiseres]
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft een auto merk Aiways U5, kenteken [kenteken 1] geleased van [leasemaatschappij] . [gedaagde] heeft op 10 juni 2023 schade gereden. [gedaagde] heeft aangegeven gebruik te willen maken van vervangend vervoer.
2.2.
[eiseres] houdt zich bezig met herstel van autoschade. [leasemaatschappij] heeft [eiseres] ingeschakeld ten einde de schade aan de auto te herstellen. [eiseres] heeft op verzoek van [leasemaatschappij] een vervangende auto ter beschikking gesteld met kenteken [kenteken 2] . [eiseres] leaset van dezelfde leasemaatschappij [leasemaatschappij] auto’s welke door [eiseres] worden ingezet als vervangend vervoer.
2.3.
[leasemaatschappij] heeft in de periode dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de auto meerdere verkeersboetes opgelegd gekregen. De boetes zijn door [leasemaatschappij] doorgestuurd naar [eiseres] en vervolgens door [eiseres] betaald. Het gaat om de volgende opgelegde boetes:
3 september 2023 Loosdrecht snelheidsovertreding € 72,00
3 september 2023 Loosdrecht snelheidsovertreding € 186,00
3 september 2023 Loosdrecht snelheidsovertreding € 91,00
8 september 2023 Leiden mobiel elektronisch apparaat vasthouden € 389,00
8 september 2023 Haarlemmermeer snelheidsovertreding € 191,00
8 september 2023 Rotterdam parkeerovertreding € 68,42
24 september 2023 Amsterdam gesloten verklaring in beide richtingen € 119,00.
2.4.
De boetes inclusief administratiekosten zijn aan [gedaagde] door [eiseres] doorbelast voor een totaalbedrag € 1.179,96. [gedaagde] heeft daarop in mindering een bedrag betaald van € 297,00 op 30 mei 2025.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseres] te voldoen € 1.041,36 (bestaande uit € 881,39 aan hoofdsom, en € 159,97 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldata van de facturen, althans vanaf 18 januari 2024, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat [gedaagde] gehouden is de opgelegde verkeersboetes aan haar te voldoen. [eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4.
[gedaagde] vordert bij vonnis veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 297,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2025 en betaling van € 170,00.
3.5.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [gedaagde] dat zij het bedrag van € 297,00 onverschuldigd heeft betaald en dat zij kosten heeft gemaakt wegens gemiste werkuren.
3.6.
[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie
Betalingsverplichting
4.1.
Het verweer van [gedaagde] dat zij niet gehouden is tot betaling aan [eiseres] , omdat zij geen overeenkomst heeft gesloten met [eiseres] , maar uitsluitend met [leasemaatschappij] en aldus eventuele verkeersboetes die zijn opgelegd slechts een mogelijke betalingsverplichting oplevert jegens [leasemaatschappij] gaat niet op.
4.2.
Uitgangspunt is dat een bestuurder van de auto in de periode dat de verkeersovertredingen hebben plaatsgevonden de opgelegde boetes dient te betalen. Nadat [gedaagde] schade had gereden op 10 juni 2023 is door [leasemaatschappij] aan [eiseres] opdracht gegeven tot herstel. [gedaagde] heeft aan [leasemaatschappij] aangegeven gebruik te willen maken van vervangend vervoer. Op het schadeformulier staat onder de kop Algemene voorwaarden vermeld: “
Op de opdracht zijn van toepassing: 1. Het eigen risico voor gebruik van het vervangend vervoer bedraagt € 300, per gebeurtenis – aftanken en boetes worden verhoogd met € 10,- administratiekosten”.Dit betekent dat [gedaagde] de boetes in beginsel had moeten betalen aan [leasemaatschappij] , indien [leasemaatschappij] haar daarop had aangesproken. Omdat de vervangende auto door [eiseres] aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld en [eiseres] die vervangende auto op basis van dezelfde voorwaarden ook van [leasemaatschappij] heeft geleased, werkt de betalingsverplichting van [gedaagde] , nu [eiseres] de boetes heeft betaald, ook door in de relatie tussen [gedaagde] en [eiseres] .
Beroep tegen boetes (termijnoverschrijding)
4.3.
[gedaagde] voert verder aan dat de boetes door [eiseres] te laat zijn doorbelast waardoor het recht om bezwaar te maken bij het CIBJ tegen die boetes verloren is gegaan. [gedaagde] meent dat de vertraging voor rekening en risico moet komen van [eiseres] temeer omdat de kans groot was dat een of meerdere bezwaren gegrond zou worden verklaard. [gedaagde] stelt onweersproken dat de factuur voor de boetes van 3 september 2023 eerst op 24 oktober 2023 is ontvangen terwijl de beroepstermijn afliep op 27 oktober 2023. De factuur ten aanzien van de boetes van 9 september 2023 heeft [gedaagde] onweersproken ontvangen op 9 november 2023. De beroepstermijn liep tot 31 oktober 2023. De verkeersboete van 24 september 2023 is eerst volgens [gedaagde] doorbelast op 29 april 2024, terwijl de beroepstermijn is verlopen op 16 november 2023. [gedaagde] stelt verder dat zij toen geen gebruik meer heeft gemaakt van de auto.
4.4.
De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de boetes (te) laat aan [gedaagde] ter beschikking zijn gesteld en dat daarmee de mogelijkheid tot het aantekenen van beroep binnen de beroepstermijn is beperkt. Dat ontslaat [gedaagde] echter niet zonder meer uit de betalingsverplichting jegens [eiseres] . Op de aan [gedaagde] toegezonden facturen staan alle gegevens om beroep in te kunnen stellen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om alsnog beroep in te stellen en te betogen dat sprake is van verschoonbare termijn overschrijding. Volgens de CBb (ECLI:NL:CBB:2024:31) geeft de wet ook ruimte om een termijnoverschrijding als verschoonbaar te beoordelen bij “geringe verwijtbaarheid”. De termijnoverschrijding is dus verwijtbaar, maar niet erg verwijtbaar. Een voorbeeld hiervan kan een kleine overschrijding van de termijn zijn. Deze uitzonderingsgrond zal in de praktijk alleen gelden voor een niet-professionele individuele burger. Het CBb oordeelt dat er meer rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden. Aannemelijk is dat de termijnoverschrijding voor de boetes van 3 september en 8 september 2023 verschoonbaar zou worden geacht. [gedaagde] heeft evenwel nagelaten alsnog beroep in te stellen.
Kans van slagen bij als ware beroep ingesteld
4.5.
Maar ook als niet sprake zou zijn van verschoonbare termijnoverschrijding geldt dat dan moet worden beoordeeld in hoeverre een beroep kans van slagen zou hebben gehad. [gedaagde] stelt daartoe dat de boetes van 3 en 8 september 2023 vragen oproept. De boetes van 3 september 2023 zien alle drie op een snelheidsovertreding in Loosdrecht. [gedaagde] stelt dat op het betreffende punt sprake zou zijn van een krappe overgang van 70 naar 50 km waar meerdere mensen, waaronder haar buren, met succes bezwaar hebben gemaakt. [gedaagde] toont dat echter niet aan. Daarnaast worden snelheidsovertredingen middels objectieve meting vastgesteld. [gedaagde] stelt ook dat zij aantoonbaar op een van de tijdstippen niet op de locatie reed. Ook dat toont [gedaagde] niet aan en dat lijkt ook onwaarschijnlijk gelet op de tijdstippen van de begane overtredingen kort na elkaar (18.00 uur op de [straat 1] , 18.54 uur op de [straat 2] en 18.59 uur op de [straat 1] ). Ten aanzien van de boete uit Rotterdam van 8 september 2023 ((niet voldoende of geen parkeerbelasting betaald) stelt [gedaagde] dat zij over een geldige parkeervergunning op het betreffende kenteken zou beschikken. Ook dat toont [gedaagde] niet aan. Ten aanzien van de boete van 8 september 2023 in Leiden (als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden) stelt [gedaagde] dat het hier een gebruik van een medisch hulpmiddel (neurostimulator) betrof die via haar telefoon wordt bediend. Èerder zou [gedaagde] voor een soortgelijk feit in de beroepsprocedure in het gelijk zijn gesteld. Ook dat toont [gedaagde] niet aan. Tegen de boete van 8 september 2023 (19 km harder dan toegestaan op een autosnelweg) zijn geen bezwaren aangevoerd. Ten aanzien van de boete van 24 september 2023 (handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen) betwist [gedaagde] dat daar sprake van is geweest. Dat is onvoldoende. Een en ander leidt tot de conclusie dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, indien tijdig beroep was ingesteld, het beroep tegen de boetes zou worden gehonoreerd.
4.6.
[gedaagde] heeft overigens op 30 mei 2025 een bedrag van € 297,00 voldaan, omdat zij verwacht dat bij een beoordeling in de beroepsfase het beroep dan niet zou zijn geslaagd. Het gaat om de boete van 3 september 2023 te Loosdrecht voor een bedrag van € 91,00 en de boete van 8 september 2023 te Nieuw Vennep voor een bedrag van € 191,00 plus tweemaal administratie kosten van € 15,00. [eiseres] heeft daar bij de vordering rekening mee gehouden.
Conclusie
4.7.
[gedaagde] dient de door [eiseres] betaalde boetes aan [eiseres] te betalen voor een bedrag van € 881,39 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.8.
Bij brief van 29 april 2024 is [gedaagde] gesommeerd om de hoofdsom van € 1.178,38 te voldoen bij gebreke waarvan een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 213,88 in rekening wordt gebracht. De brief voldoet aan artikel 6 96 lid 2 sub c BW, maar [eiseres] vordert thans een bedrag van € 159,97 aan incassokosten gebaseerd op het thans nog openstaande bedrag aan hoofdsom. De gevorderde incassokosten zullen worden toegewezen.
In reconventie
4.9.
Gelet op de overwegingen in conventie dient de vordering in reconventie te worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en reconventie
4.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld tot op heden begroot op: dagvaarding € 120,78 griffierecht € 340,00 gemachtigde salaris € 360,00 (2,5 punt x € 144,00) nakosten
€ 72,00totaal € 892,78
4.11.
De proceskosten in reconventie zal op nihil worden gesteld.
4.12.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

In conventie en reconventie
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.041,36 te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 18 januari 2024 over € 881,39 tot de voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 892,78, waarin begrepen € 360,00 aan salaris gemachtigde;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.