Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2833

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
11810249 \ UC EXPL 25-6073 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 Wet caoArt. 2 Wet caoArt. 1018c lid 1 RvArt. 1018c lid 2 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vakbond niet-ontvankelijk in vordering tot loonverhoging apothekers bij BENU

De vakbond VVBA vorderde dat de kantonrechter verklaart dat afspraken uit 2023 tussen VVBA en BENU leiden tot een salarisverhoging van 8% voor BENU-apothekers in 2025 en 2026, en dat BENU wordt verplicht deze verhogingen uit te keren. BENU stelde dat VVBA niet-ontvankelijk is omdat zij geen cao-partij is en geen procesbevoegdheid heeft.

De kantonrechter oordeelde dat VVBA geen procesbevoegdheid ontleent aan de Wet cao, omdat zij niet statutair bevoegd is cao's te sluiten en de afspraken niet als cao kunnen worden aangemerkt. Ook op grond van artikel 3:305a BW is VVBA niet ontvankelijk, omdat zij niet voldeed aan de strenge procedurele eisen, zoals inschrijving in het register.

Het beroep van VVBA op redelijkheid en billijkheid om het wettelijke systeem te doorbreken werd verworpen, omdat individuele apothekers zelf hun loonbelangen kunnen afdwingen. VVBA werd veroordeeld in de proceskosten van BENU.

Uitkomst: VVBA is niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tot loonverhoging en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11810249 \ UC EXPL 25-6073 WMB/61313
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
VAKBOND VAN BENU APOTHEKERS,
gevestigd in Franeker,
eisende partij,
hierna te noemen: VVBA,
gemachtigde: mr. R. van der Stege,
tegen
BENU APOTHEKEN B.V.,
gevestigd in Maarssen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BENU,
gemachtigde: mr. B. Schouten.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2026;
- de akte van VVBA van 4 februari 2026, met daarin ook een eiswijziging;
- de akte van BENU van 4 februari 2026;
- de akte van VVBA van 4 maart 2026;
- de akte van BENU van 4 maart 2026.
1.2
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
VVBA is een vakbond die de belangen behartigt van de bij BENU werkzame apothekers in loondienst. Partijen hebben op 2023 afspraken gemaakt over hun gezamenlijke doelstelling om toe te werken naar een cao voor alle apothekers die bij BENU in dienst zijn (hierna: BENU-apothekers). Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over de (regels voor) loonindexatie die BENU moet toepassen totdat die cao is ingevoerd. VVBA wil dat de kantonrechter voor recht verklaart dat die afspraken tot gevolg hebben dat een deel van de BENU-apothekers in 2025 en 2026 recht hebben op een salarisverhoging van 8% en dat de kantonrechter BENU gebiedt om die salarisverhogingen uit te keren. BENU verzet zich daartegen, omdat VVBA volgens haar niet-ontvankelijk is in haar vorderingen. De kantonrechter verklaart VVBA niet-ontvankelijk in haar vorderingen.
3 De beoordeling
VVBA is niet-ontvankelijk in haar vorderingen
3.1
VVBA vraagt de kantonrechter primair om voor recht te verklaren dat de afspraak die tussen VVBA enerzijds en BENU anderzijds gemaakt werd in 2023 tot gevolg heeft dat BENU aan haar in dienst zijnde apothekers die op basis van de tussen de VVBA en BENU gemaakte afspraak, gekozen hebben voor het volgen van de loonindexatie van de cao-apotheken, per 1 januari 2025 een salarisverhoging van 8% dient toe te kennen en per 1 januari 2026 ook een salarisverhoging van 8% dient toe te kennen. Daarnaast vraagt zij de kantonrechter om BENU te gebieden om ten aanzien van die groep werknemers over te gaan tot het uitkeren van de bedoelde salarisverhogingen. Haar subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire vorderingen luiden hetzelfde, met als enige afwijking dat daarin bij de eerste loonsverhoging 1 september 2025 als datum wordt genoemd en/of de woorden ‘tot gevolg heeft’ zijn vervangen met ‘betekent’.
3.2
In het vonnis van 28 januari 2026 heeft de kantonrechter aan VVBA gevraagd waaraan zij haar procesbevoegdheid ontleent voor de vorderingen die zij heeft ingesteld. In reactie daarop heeft VVBA in haar akte van 4 februari 2026 aangegeven dat zij de rechtsgronden waarop zij haar vordering baseert, wil aanvullen. In tegenstelling tot wat zij eerder aangaf, baseert zij haar vordering nu primair op de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet cao) en secundair op artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast houdt zij vast aan haar stelling dat zij anders een eigen vordering heeft op basis van de overeenkomst die zij met BENU heeft gesloten. Daarbij verwijst zij naar de redelijkheid en billijkheid. Volgens BENU kan VVBA geen beroep doen op de Wet cao en kunnen haar vorderingen daardoor niet worden toegewezen op basis van de afspraken tussen partijen. BENU heeft zich daarnaast tegen de eiswijziging verzet voor zover die ziet op het aanvullen van artikel 3:305a BW als grondslag.
3.3
Hoewel de gevorderde verklaring van recht is gevorderd op grond van de afspraken tussen haarzelf en BENU, is duidelijk dat VVBA met haar vorderingen beoogt op te komen voor de individuele loonbelangen van haar leden. De kantonrechter oordeelt dat VVBA daarvoor geen procesbevoegdheid kan ontlenen aan de Wet cao. Collectieve afspraken over individuele loonbelangen kunnen worden vastgelegd in een cao, waarvan de cao-partijen nakoming kunnen vorderen. [1] Uit de wet volgt dat een vereniging als VVBA alleen een cao kan sluiten voor haar leden als uitdrukkelijk in haar statuten is vermeld dat zij dat mag. [2] BENU heeft erop gewezen dat dat bij VVBA niet het geval is. De afspraken tussen BENU en VVBA kunnen om die reden niet worden aangemerkt als cao. VVBA kan dus geen beroep doen op de Wet cao om op te komen voor de individuele loonbelangen van haar leden door nakoming van die afspraken te vorderen.
3.4
Evenmin kan VVBA haar procesbevoegdheid in deze procedure ontlenen aan artikel 3:305a BW. Voor het instellen van een 3:305a-vordering gelden strenge ontvankelijkheidseisen. BENU merkt terecht op dat uit de dagvaarding al had moeten blijken dat daarmee een 3:305a-vordering werd ingesteld, waarbij VVBA had moeten toelichten waarom zij aan de ontvankelijkheidsvereisten daarvoor voldoet. [3] Dat heeft VVBA in de dagvaarding niet gedaan. Ook blijkt nergens uit dat VVBA de dagvaarding binnen twee dagen na de dag van dagvaarding in het daartoe bestemde register heeft ingeschreven, zoals wel is vereist bij 3:305a-vorderingen. [4] Ongeacht of de eiswijziging wordt toegelaten, is VVBA daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 3:305a BW. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat het niet voor de hand ligt dat VVBA op grond van artikel 3:305a lid 6 BW ontvankelijk zal zijn als zij een 3:305a-vordering instelt met een nieuwe dagvaarding. Anders dan zij zegt, hebben haar vorderingen namelijk geen ideëel doel en vertegenwoordigen die vorderingen een meer dan beperkt financieel belang, aangezien het gaat om de doorvoering van twee structurele loonsverhogingen.
3.5
Met haar beroep op de redelijkheid en billijkheid vraagt VVBA de kantonrechter tot slot om het wettelijk systeem voor de totstandkoming en afdwingbaarheid van collectieve arbeidsvoorwaardenafspraken te doorbreken. Zo een doorbreking van het wettelijk systeem zou alleen op zijn plaats zijn als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat VVBA zelf niet via de kantonrechter van BENU kan afdwingen dat zij loonsverhogingen doorvoert voor haar werknemers. Dat is niet het geval. Niets staat eraan in de weg dat de BENU-apothekers die daardoor geraakt worden, proberen om de volgens hen juiste loonindexatie af te dwingen door daartoe – eventueel onder verwijzing naar de afspraken tussen partijen – zelf een vordering in te stellen. Ook als VVBA in deze procedure niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan er dus in rechte worden opgekomen voor de daadwerkelijke belangen die zij beoogt te behartigen met haar vorderingen. Haar beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt daarom niet en de kantonrechter zal VVBA niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen.
VVBA moet de proceskosten van BENU betalen
3.6
VVBA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van BENU worden begroot op € 1.008,00, bestaande uit € 864,00 (3 punten × € 288,00) aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
verklaart VVBA niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
4.2
veroordeelt VVBA in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met:
  • de kosten van betekening als VVBA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
  • de wettelijke rente
4.3
verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 9 lid 2 Wet Pro cao.
2.Artikel 2 Wet Pro cao.
3.Artikel 1018c lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
4.Artikel 1018c lid 2 Rv.
5.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.