Eiser vorderde betaling van een factuur van €6.518,80 voor werkzaamheden die hij stelde te hebben verricht voor gedaagde partijen. Gedaagden betwistten de vordering, stelden dat de factuur onjuist was, dat prijzen niet waren overeengekomen en dat het werk niet of slecht was uitgevoerd. Eiser verwees slechts naar een WhatsAppbericht ter onderbouwing, maar dit bericht was onduidelijk en kwam niet overeen met de factuurbedragen.
De kantonrechter oordeelde dat eiser zijn vordering onvoldoende concreet en duidelijk had onderbouwd, waardoor de hoofdsomvordering werd afgewezen. De overige verweren van gedaagden behoefden daardoor geen beoordeling. Een verzoek tot reconventie van gedaagden werd niet in behandeling genomen omdat dit te laat was ingediend.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot omdat gedaagden geen gemachtigde hadden ingeschakeld en de procedure schriftelijk verliep. Het vonnis werd uitgesproken door mr. D.A. van Steenbeek op 13 mei 2026.