Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2843

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
11793440 \ MC EXPL 25-4018
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:764 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling aanneemsom en herstelkosten bij gebrekkige aanneming van werk afgewezen

Eisers gaven in 2023 opdracht aan gedaagde voor bouwwerkzaamheden aan hun woning. Eisers stelden dat het werk ondeugdelijk was en dat gedaagde zich niet aan oplevertermijnen hield, waarna zij de opdracht beëindigden en betaling van herstelkosten en materiaalkosten vorderden. Gedaagde vorderde betaling van de aanneemsom en openstaande facturen.

De kantonrechter oordeelde dat eisers onvoldoende onderbouwden dat sprake was van fatale oplevertermijnen en dat zij niet aannemelijk maakten dat gedaagde tekort was geschoten in het herstel van gebreken. Ook was onvoldoende onderbouwd dat materiaalkosten gemaakt moesten worden voor ondeugdelijk geleverd materiaal. Daarom werden deze vorderingen afgewezen.

In reconventie werd vastgesteld dat de beëindiging van de overeenkomst een opzegging was en dat eisers de aanneemsom minus besparingen moesten betalen. Omdat gedaagde niet aannemelijk maakte dat er geen besparingen waren, werd de volledige aanneemsomvordering afgewezen. Wel moesten eisers de openstaande facturen betalen, inclusief wettelijke rente vanaf de dag van de eis in reconventie.

Eisers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens het ontbreken van een juiste aanmaning. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de afwijzing van de vorderingen van eisers in conventie.

Uitkomst: Vordering herstelkosten en materiaalkosten afgewezen, eisers moeten openstaande facturen met rente betalen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11793440 \ MC EXPL 25-4018
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

en
2.
[eiser sub 2],
beiden in [plaats 1] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen (vrouwelijk enkelvoud) [eisers c.s.] ,
gekozen woonplaats bij hun gemachtigde, mr. M.Th. Legger te Utrecht,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gekozen woonplaats bij hun gemachtigde, mr. E.J.H. van Lith in Almere.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eisers c.s.] heeft [gedaagde] in 2023 opdracht gegeven voor bouwwerkzaamheden aan haar woning. [gedaagde] heeft werkzaamheden verricht. Volgens [eisers c.s.] was het werk ondeugdelijk en heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan de afgesproken oplevertermijnen. [eisers c.s.] heeft in november de opdracht beëindigd [1] . [eisers c.s.] wil dat [gedaagde] werk van derden betaald die zij heeft moeten inschakelen om (zo stelt [eisers c.s.] ) het werk van [gedaagde] te herstellen (€ 14.083,03). Ook wil [eisers c.s.] dat [gedaagde] het materiaal betaalt dat zij heeft moeten inkopen om (volgens [eisers c.s.] ) ondeugdelijk materiaal van [gedaagde] te vervangen (€ 5.000,00), alles met nevenvorderingen. [gedaagde] is het met dat alles niet eens. Hij wil op zijn beurt dat [eisers c.s.] de aanneemprijs betaalt (€ 85.000,-), dan wel subsidiair dat [eisers c.s.] de facturen van uitgevoerd werk betaalt (€ 5.121,53), met nevenvorderingen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers c.s.] af en oordeelt in reconventie dat [eisers c.s.] € 5.121,53 met rente aan [gedaagde] moet betalen.

3.De beoordeling

in conventie
[gedaagde] hoeft het werk van derden niet te betalen
3.1
[eisers c.s.] stelt dat [gedaagde] zich zou hebben verbonden aan fatale opleveringstermijnen en dat hij die termijnen zou hebben overschreden. Maar [gedaagde] ontkent dat en [eisers c.s.] onderbouwt haar stelling daarna onvoldoende. De kantonrechter kan op basis van de tekst van de overeenkomst [2] niet vast stellen dat van dergelijke termijnen sprake is. Er staat weliswaar bij onderdeel
“Uitvoering werkzaamheden in week ..”, maar dat lijkt meer op (zoals [gedaagde] aanvoert) een richtlijn voor de planning. In de overeenkomst staat nergens vermeld wat de consequenties zijn dat een bepaalde planningsweek niet wordt gehaald. Ook stelt [eisers c.s.] niet waarom zij belang zou hebben bij het stellen van fatale termijnen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat van fatale termijnen geen sprake is. [eisers c.s.] is daarom niet in verzuim geraakt uitsluitend op basis van het niet halen van de genoemde termijnen.
3.2
Het recht van [eisers c.s.] om het werk van [gedaagde] door derden te laten herstellen, ontstaat pas wanneer vast staat dat a) het door [gedaagde] uitgevoerde werk gebreken vertoont, b) dat [eisers c.s.] een redelijke termijn aan [gedaagde] heeft gegeven om zelf die gebreken te herstellen en c) [gedaagde] niet binnen die termijnen de gebreken heeft hersteld. Omdat [gedaagde] ontkent dat van dat alles sprake is, moet [eisers c.s.] haar stellingen op deze punten nader onderbouwen. Dat heeft [eisers c.s.] gedaan door (zonder noemenswaardige toelichting) te verwijzen naar haar productie 7, waar de volledige (whatsapp)correspondentie tussen haar en [gedaagde] te vinden zou zijn. Dat is als nadere onderbouwing volstrekt onvoldoende. Het is niet aan de kantonrechter om zelfstandig in die productie op zoek te gaan naar ondersteuning van de stellingen van [eisers c.s.] . Het is aan [eisers c.s.] zelf om in het lichaam van haar productie duidelijk en concreet te stellen wanneer zij welke termijn aan [gedaagde] heeft gegeven en waaruit blijkt dat [gedaagde] die niet zou hebben gehaald. Omdat [eisers c.s.] dat niet doet, wordt haar vordering op dit punt (als onvoldoende nader onderbouwd) afgewezen.
[gedaagde] hoeft geen materiaalkosten te betalen
3.3
Volgens [eisers c.s.] heeft zij kosten moeten maken om materiaal te vervangen wat door [gedaagde] ondeugdelijk geleverd zou zijn. Omdat [gedaagde] dit ontkent, had [eisers c.s.] haar stelling op dit punt nader moeten onderbouwen. Dat doet [eisers c.s.] niet. [eisers c.s.] maakt op geen enkele manier duidelijk welke materialen zij voor het gevorderde bedrag heeft ingekocht, laat staan waaruit zou blijken dat diezelfde materialen door [gedaagde] zijn ingekocht en waarom die ondeugdelijk zouden zijn gebleken. Haar vordering wordt op dit punt, als onvoldoende nader onderbouwd, afgewezen.
Slotsom en nevenvorderingen in conventie
3.4
De hoofdsom in conventie wordt op grond van het bovenstaande afgewezen. De nevenvorderingen delen automatisch dit lot.
3.5
[eisers c.s.] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 864,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × € 432,00) en € 144,00 aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing), samen € 1.008,00.
in reconventie
[eisers c.s.] is de volledige aanneemsom niet verschuldigd
3.6
In conventie is al overwogen dat niet vast staat dat [gedaagde] in verzuim is geraakt. De beëindiging van de overeenkomst door [eisers c.s.] is daarom geen ontbinding, maar een opzegging zoals bedoeld in artikel 7:764 BW Pro. [eisers c.s.] moet - zoals [gedaagde] terecht stelt - de aanneemsom betalen, maar dan wel verminderd met de besparingen die [gedaagde] realiseert als gevolg van het niet hoeven afmaken van het werk. [gedaagde] stelt dat er geen besparingen zijn geweest en licht dat uitsluitend toe door te stellen dat de geoffreerde werkzaamheden geen doorgang hebben gevonden. De kantonrechter volgt dat niet. Wanneer werk niet uitgevoerd hoeft te worden lijkt dat zonder meer een besparing te zijn. Omdat [gedaagde] dat op geen enkele manier uitlegt, wordt de vordering tot betaling van de volledige aanneemsom (dus zonder besparingen) als onvoldoende onderbouwd, afgewezen.
[eisers c.s.] moet wel de openstaande facturen nog betalen
3.7
In reconventie heeft [gedaagde] precies aangegeven welke facturen [eisers c.s.] wel heeft betaald en welke niet. [eisers c.s.] betwist dat alleen door te stellen dat zij alles betaald zou hebben, zonder specifiek aan te geven waaruit blijkt dat zij concreet de facturen die [gedaagde] nog vordert heeft betaald. Dat verweer van [eisers c.s.] is onvoldoende gemotiveerd. Omdat verder niet ter discussie staat dat [gedaagde] het werk waarvan hij betaling vordert heeft uitgevoerd, wordt zijn vordering op dit punt toegewezen.
Slotsom en nevenvorderingen in reconventie
3.8
De slotsom is dat [eisers c.s.] in hoofdsom € 5.121,53 aan [gedaagde] moet betalen. De wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de dag van de eis in reconventie, 10 september 2025, tot de betaling. Dat [eisers c.s.] eerder dan die datum in verzuim is geraakt met de betaling heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld.
3.9
[gedaagde] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, maar dat wordt afgewezen. [gedaagde] heeft geen aanmaning overgelegd die voldoet aan de wettelijke vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW Pro.
3.1
[eisers c.s.] is in conventie het meest in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 360,00 aan salaris gemachtigde (2 punten × factor 0,5 × € 360,00).

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eisers c.s.] af,
4.2
veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3
veroordeelt [eisers c.s.] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 5.123,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.4
veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5
veroordeelt [eisers c.s.] tot betaling van de kosten van betekening als [eisers c.s.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor de beslissing onder 4.1,
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
RW1368

Voetnoten

1.E-mail van 21 november 2023, productie 2 van [eisers c.s.]
2.Productie 1 van [eisers c.s.]