Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2844

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
12101824 \ UE VERZ 26-66
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670 BWArt. 7:671 BWArt. 7:673 BWArt. 7:681 BWArt. 7:686 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg pensioenontslagbeding en gevolgen vennootschapsrechtelijk ontslag voor arbeidsovereenkomst

Verzoeker, sinds 2006 in dienst en statutair bestuurder van verweerder, betwistte de uitleg van het pensioenontslagbeding in zijn arbeidsovereenkomst, waarin stond dat de overeenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd, tenzij het pensioenreglement een andere datum bepaalt. Verzoeker stelde dat zijn arbeidsovereenkomst pas eindigt op zijn pensioenleeftijd van 68 jaar volgens het Zwitserleven Pensioenreglement.

De kantonrechter oordeelde dat partijen in 2007 met het pensioenontslagbeding een objectieve einddatum hebben beoogd, namelijk de AOW-leeftijd, die inmiddels 67 jaar is. De pensioenrichtleeftijd uit het pensioenreglement is een fiscale rekeneenheid en wijzigt de contractuele einddatum niet. Daarom eindigde de arbeidsovereenkomst van verzoeker op 1 januari 2026 van rechtswege.

Verzoeker stelde dat het vennootschapsrechtelijke ontslag als bestuurder op 16 december 2025 een opzegging van de arbeidsovereenkomst was, waaruit hij aanspraak maakte op transitie- en billijke vergoeding. De kantonrechter verwierp dit omdat het ontslagbesluit niet als opzegging kon worden opgevat en de aandeelhouder niet op de hoogte was van de hersteldmelding van verzoeker.

Verder wees de kantonrechter de vergoedingsverzoeken af, waaronder een compensatiebedrag en pensioenschade, wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat de arbeidsovereenkomst reeds was geëindigd. Verzoeker werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 januari 2026 van rechtswege en het vennootschapsrechtelijke ontslag was geen opzegging; verzoekers vergoedingsvorderingen werden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12101824 \ UE VERZ 26-66
Beschikking van 13 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J.R. de Jong,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. R.P.C. Kütemann.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 24;
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 13;
- de aanvullende producties 25 tot en met 29 van [verzoeker] .
1.2
Namens [verzoeker] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de omvang van het bezwaarschrift. Dit bezwaar is besproken op de mondelinge behandeling en door de kantonrechter zijn aan de omvang geen gevolgen verbonden, gelet op de zeer geringe overschrijding.
1.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [verweerder] was aanwezig de heer [A] (statutair bestuurder bij [verweerder] ). Hij werd bijgestaan door een tolk in de Duitse taal, mevrouw J. Grützbauch en door zijn gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Ook hebben partijen op elkaar kunnen reageren en de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.4
De beschikking is bepaald op vandaag.
2 De kern van de zaak
In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de uitleg van een pensioenontslagbeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Die uitleg is van belang voor de vraag op welke moment de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt: op 1 januari 2026 of op 1 januari 2027. Ook gaat het om de vraag of een vennootschapsrechtelijk ontslag kan worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Tot slot maakt [verzoeker] aanspraak op verschillende vergoedingen.
De kantonrechter is van oordeel dat uitleg van de ontslagpensioenbepaling ertoe leidt dat de arbeidsovereenkomst op 1 januari 2026 van rechtswege is geëindigd en dat [verzoeker] het vennootschapsrechtelijke ontslag op staande voet niet heeft kunnen opvatten als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. De door [verzoeker] verzochte vergoedingen worden afgewezen en [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1958, is op 1 november 2006 in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van Algemeen Commercieel Manager. Per 1 mei 2007 is [verzoeker] benoemd tot statutair bestuurder van [verweerder] . Vanwege de benoeming tot bestuurder is er een nieuwe arbeidsovereenkomst opgesteld, die in werking is getreden op 1 mei 2007.
3.2
In artikel 1.4. van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] is een pensioenontslagbeding opgenomen. Deze luidt als volgt:
“De Overeenkomst eindigt zonder (schriftelijke) kennisgeving van rechtswege op de eerste dag van de maand na de datum waarop Werknemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, tenzij ingevolge de pensioenregeling van Werknemer een andere datum geldt.”
3.3
Sinds 1 januari 2022 is op de overeenkomst het Zwitserleven Pensioenreglement van toepassing.
3.4
Op 26 juni 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [verzoeker] in Wiesbaden. Bij die bespreking werd het [verweerder] duidelijk dat [verzoeker] van mening was dat hij tot 1 januari 2027 in dienst zou zijn, omdat 1 januari 2027 zijn reguliere pensioendatum is, omdat dat de eerste dag van de maand na de datum waarop hij 68 jaar is geworden en dat die pensioendatum volgt uit het toepasselijke pensioenreglement.
3.5
Na ingewonnen juridisch advies, heeft er op 26 augustus 2025 opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [verzoeker] . Aan [verzoeker] is in dat gesprek meegedeeld dat volgens [verweerder] het dienstverband door de werking van het bepaalde in artikel 1.4 van de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 januari 2026, omdat [verzoeker] op [geboortedatum] 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd van 67 jaar bereikt.
3.6
[verzoeker] heeft zich op 28 augustus 2025 ziek gemeld.
3.7
Per brief van 6 oktober 2025 heeft [verzoeker] aan [verweerder] laten weten dat zijn arbeidsovereenkomst niet eindigt per 1 januari 2026 en dat hij voornemens is om zijn werkzaamheden voort te zetten tot 1 januari 2027.
3.8
Per brief van 21 november 2025 heeft [verweerder] haar standpunt kenbaar gemaakt en aangegeven dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op 1 januari 2026.
3.9
Per brief van 1 december 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] per brief laten weten voornemens te zijn [verzoeker] met ingang van 1 januari 2026 te ontslaan als statutair bestuurder met als reden dat per die datum ook de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] zou eindigen. [verzoeker] is uitgenodigd zich uit te laten over dit voorgenomen ontslagbesluit.
3.1
Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 2 december 2025 blijkt – voor zover van belang – het volgende:
“De heer [verzoeker] is momenteel nog arbeidsongeschikt als gevolg van ziekte. Er is nog niet duidelijk sprake van herstel.
Op dit moment kan er nog geen goede start worden gemaakt met re-integratie bij de eigen werkgever. Het advies is om zo spoedig mogelijk oplossingen te vinden voor de knelpunten en van daaruit afspraken te maken over de re-integratie… Mochten de beperkingen de komende tijd afnemen, dan mogen er in gezamenlijk overleg afspraken gemaakt worden over geleidelijke werkhervatting en de hersteldmelding.”
3.11
Op 5 december 2025 heeft [verzoeker] hierop gereageerd en aangegeven dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 januari 2027 en is [verweerder] gesommeerd te bevestigen dat zij haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal blijven nakomen. Ook is in die brief namens [verzoeker] kenbaar gemaakt het oneens te zijn met het voorgenomen ontslagbesluit.
3.12
[verzoeker] heeft zich op 15 december 2025 beter gemeld.
3.13
Per e-mail van 17 december 2025 is [verzoeker] in kennis gesteld van 3 aandeelhoudersbesluiten:
- [verzoeker] is met ingang van 1 januari 2026 ontslagen als statutair bestuurder;
- Met ingang van 16 december 2025 is [verzoeker] geschorst als statutair bestuurder van [verweerder] ;
- Met ingang van 16 december is [A] benoemd als statutair bestuurder van [verweerder] .
3.14
Partijen hebben daarna nog met elkaar gecorrespondeerd, maar dit heeft niet geleid tot een doorbreking van de impasse.

4.De beoordeling

4.1
De kantonrechter stelt allereerst vast dat het dienstverband tussen partijen per 1 januari 2026 feitelijk is geëindigd, nu [verzoeker] zich bij het einde van de arbeidsovereenkomst heeft neergelegd.
4.2
In deze procedure moeten verschillende vragen worden beantwoord. De kantonrechter begint met de beantwoording van de vraag over de uitleg van het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst en de hiermee verband houdende vraag of de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] met ingang van 1 januari 2026 van rechtswege is geëindigd.
Uitleg van het pensioenontslagbeding tot de tenzij-bepaling
4.3
Om vast te kunnen stellen wat partijen precies zijn overeengekomen, is een uitleg van dit pensioenontslagbeding uit artikel 1.4 van de arbeidsovereenkomst nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen gekeken moet worden naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. [1]
4.4
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het niet de bedoeling is van artikel 1.4 om een objectieve einddatum vast te stellen, maar om ervoor te zorgen dat de werknemer niet zou worden geconfronteerd met een inkomensgat in de periode tussen de AOW-leeftijd en de pensioenleeftijd uit de pensioenregeling.
4.5
De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in deze uitleg en overweegt daarover het volgende.
4.6
Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst in 2007 was 65 jaar de vaste AOW-leeftijd. Ook uit het pensioenreglement van De Amersfoortse, zoals dat vanaf 1 januari 2007 voor alle medewerkers van [verweerder] gold, blijkt dat met pensioendatum werd bedoeld “de eerste van de maand waarin de deelnemer 65 jaar wordt”. De AOW-leeftijd en de pensioenleeftijd waren daarmee in 2007 dus gelijkluidend, namelijk 65 jaar, en van een inkomensgat was daarom ook geen sprake. Dat de bepaling zo is geformuleerd om te voorkomen dat de werknemer zou worden geconfronteerd met een inkomensgat, zoals [verzoeker] stelt, is daarom niet aannemelijk. Ook van een vooruitziende blik hierop, zoals door de gemachtigde van [verzoeker] aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling, kan geen sprake zijn geweest, omdat de vaste AOW-leeftijd van 65 jaar pas per 1 januari 2013 is losgelaten.
4.7
Geconcludeerd kan daarom worden dat het voor partijen in 2007 duidelijk moet zijn geweest dat met de 65-jarige leeftijd uit artikel 1.4 de AOW-gerechtigde leeftijd werd bedoeld.
Uitleg van de tenzij-bepaling
4.8
Vervolgens dient beoordeeld te worden op welke manier de tenzij-bepaling uit artikel 1.4 van de arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd: “
tenzij het pensioenreglement een andere datum noemt”.
4.9
Over de uitleg van dit gedeelte van de bepaling heeft [verzoeker] gesteld dat in artikel 1.4 is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst in beginsel eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd, maar dat dit niet het geval is als op grond van de pensioenregeling een andere pensioendatum geldt. En dat laatste is het geval bij [verzoeker] , zodat een juiste uitleg van artikel 1.4 inhoudt dat zijn arbeidsovereenkomst pas van rechtswege eindigt nadat [verzoeker] de leeftijd van 68 jaar heeft bereikt.
4.1
Ook in deze uitleg volgt de kantonrechter [verzoeker] niet. De kantonrechter legt dat als volgt uit.
4.11
Sinds 1 januari 2022 is het Zwitserleven Pensioenreglement van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen partijen. In artikel 37 van Pro dat pensioenreglement is bij de definitie van pensioenrichtdatum opgenomen “
de dag waarop de 68e verjaardag wordt bereikt”. De kantonrechter is van oordeel dat met deze definitie niet bedoeld is een wijziging van de contractuele einddatum van de arbeidsovereenkomst overeen te komen. Een pensioenrichtleeftijd is bij wet ingevoerd en is in pensioenreglementen opgenomen om fiscale redenen. Het is een rekeneenheid die pensioenfondsen gebruiken voor het fiscaal maximale pensioen. De in een pensioenreglement opgenomen pensioenrichtleeftijd levert niet een wijziging op de van de pensioengerechtigde leeftijd in een pensioenontslagbeding, zoals hier in artikel 1.4 van de arbeidsovereenkomst.
De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 januari 2026 van rechtswege geëindigd
4.12
De kantonrechter is daarom van oordeel dat partijen in 2007 met de formulering van artikel 1.4 in de arbeidsovereenkomst een objectief vast te stellen einddatum hebben beoogd, die los stond van de wil van één van de partijen. Deze einddatum was de datum waarop [verzoeker] de AOW-gerechtigde leeftijd zou bereiken, welke inmiddels 67 jaar is. Op [geboortedatum] 2025 heeft [verzoeker] de leeftijd van 67 jaar bereikt, zodat de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] met ingang van 1 januari 2026 van rechtswege is geëindigd.
Het ontslagbesluit is geen opzegging van de arbeidsovereenkomst geweest
4.13
[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat het besluit van de aandeelhouder van [verweerder] van 16 december 2025 om [verzoeker] te ontslaan als bestuurder moet worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Volgens [verzoeker] voldoet deze opzegging niet aan de wettelijke vereisten en maakt hij daarom aanspraak op de transitievergoeding en de billijke vergoeding.
4.14
Namens [verweerder] wordt uitdrukkelijk betwist dat het ontslagbesluit van 16 december 2025 een opzeggingshandeling was en dat [verzoeker] dit ook niet zo heeft mogen opvatten.
4.15
De kantonrechter is van oordeel dat de aandeelhouder van [verweerder] ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit niet op de hoogte was van de hersteldmelding van [verzoeker] per 15 december 2025. [verzoeker] heeft zich per die datum hersteld gemeld bij de Finance Manager van [verweerder] , maar niet gebleken is dat dit bericht de aandeelhouder ook heeft bereikt vóór 16 december 2025. De aandeelhouder hoefde een hersteldmelding van [verzoeker] ook niet te verwachten, omdat recent nog (op 2 december 2025) door de bedrijfsarts was geconcludeerd dat [verzoeker] nog altijd volledig arbeidsongeschikt was. De hersteldmelding van [verzoeker] is niet alleen onverwachts geweest, maar ook niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts om bij afname van de beperkingen in gezamenlijk overleg afspraken te maken over werkhervatting en de hersteldmelding.
4.16
Door de gemachtigde van [verweerder] heeft per e-mail van 17 december 2025 aan [verzoeker] uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat het vennootschapsrechtelijke ontslag van [verzoeker] niet beoogde de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweerder] te doen eindigen.
4.17
Verder is het zo dat de aandeelhouder van [verweerder] niet tot het vennootschapsrechtelijke ontslag van [verzoeker] als bestuurder was overgegaan als dat ontslag een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] zou inhouden, met als gevolg dat zij dan aan [verzoeker] de transitievergoeding verschuldigd zou zijn. [verweerder] verkeerde immers in de (terechte) veronderstelling dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2026 door het pensioenontslagbeding van rechtswege zou eindigen.
4.18
Gelet op deze omstandigheden heeft [verzoeker] het ontslagbesluit van 16 december 2025 niet kunnen opvatten als een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. Het verzoek tot toekenning aan [verzoeker] van de transitievergoeding wordt afgewezen.
4.19
Datzelfde geldt voor het verzoek tot toekenning aan [verzoeker] van een billijke vergoeding. Ook dit moet worden afgewezen. Een billijke vergoeding kan aan een werknemer worden toegewezen als geoordeeld wordt dat een werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvan is hier geen sprake geweest.
Compensatiebedrag Witteveenkader-wijziging
4.2
[verzoeker] verzoekt aan hem een bedrag van € 59.100,- (bruto, zo begrijpt de kantonrechter) toe te kennen. [verzoeker] baseert zich hierbij op een afspraak die zou zijn gemaakt met [verweerder] in 2015. [verweerder] erkent dat sinds 2015 verschillende aanzienlijke bedragen aan [verzoeker] zijn betaald, maar betwist de inhoud van deze afspraak. Gelet op deze betwisting, is het aan [verzoeker] de inhoud van deze afspraak te onderbouwen. Anders dan dat er jaarlijks bedragen aan [verzoeker] zijn betaald, is niet gebleken van enige afspraak hierover. Nu [verzoeker] heeft nagelaten deze afspraak te onderbouwen, zal dit verzoek worden afgewezen.
Schadevergoedingen
4.21
Ook de diverse schadevergoedingen die door [verzoeker] worden verzocht worden afgewezen. Het gaat hierbij om de vergoeding van de pensioenschade en de schade die [verzoeker] heeft geleden voor het laten begroten van zijn pensioenschade. Van pensioenschade over 2026 aan de zijde van [verzoeker] is geen sprake, nu hiervoor is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 van rechtswege is geëindigd.
Proceskosten
4.22
[verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op € 1.009,-, bestaande uit
€ 865,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1
wijst de verzoeken af;
5.2
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. van Steenbeek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.A.T. Werrner, kantonrechter, op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex).