Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2866

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5952
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.J. van Niejenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging besluit afwijzing bijstand na eerdere intrekking en terugvordering

Eisers hebben meerdere aanvragen om algemene en bijzondere bijstand ingediend nadat eerder verleende bijstand was herzien, ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht en niet gemelde inkomsten. Het college heeft deze aanvragen afgewezen op grond van handhavingsrapporten en onderzoek van de sociale recherche.

De rechtbank oordeelt dat het college de aanvragen inhoudelijk terecht heeft afgewezen omdat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die recht op bijstand rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende concreet en controleerbaar inzicht hebben gegeven in hun financiële situatie en het beëindigen van eerdere handelsactiviteiten.

Wel heeft het college het bezwaar van eiseres tegen twee primaire besluiten ten onrechte ontvankelijk geacht. Daarom wordt het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd en verklaart de rechtbank het bezwaar van eiseres tegen deze besluiten alsnog niet-ontvankelijk. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep is deels gegrond verklaard door vernietiging van het besluit over ontvankelijkheid bezwaar van eiseres, maar de afwijzing van de bijstandsaanvragen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] ,

(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
samen te noemen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college
(gemachtigde: mr. E. Diepenbroek).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van drie aanvragen om bijstand. Eisers zijn het daar niet mee eens en hebben daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college de aanvragen inhoudelijk terecht heeft afgewezen. Wel heeft het college het bezwaar van eiseres tegen twee primaire besluiten ten onrechte ontvankelijk geacht. Daarom is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 oktober 2024 een aanvraag om algemene bijstand ingediend en op 13 november 2024 een aanvraag om bijzondere bijstand. Eisers hebben vervolgens op 2 december 2024 een gezamenlijke aanvraag om algemene bijstand ingediend.
3. Bij besluiten van 7 januari 2025 (primaire besluiten 1 en 2) heeft het college de aanvragen van eiser afgewezen. Bij besluit van 3 februari 2025 (primair besluit 3) heeft het college ook de gezamenlijke aanvraag van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 heeft het college, overeenkomstig het advies van de bezwaaradviescommissie en onder aanvulling van de motivering, de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten 1 t/m 3 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een aanvullend handhavingsrapport van 7 april 2025 ten grondslag.
3.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Ambtshalve beoordeling
4. De primaire besluiten 1 en 2 zijn alleen gericht aan eiser. Eiseres was daarom geen belanghebbende bij die besluiten. Het college heeft het bezwaar van eiseres tegen die besluiten ten onrechte ontvankelijk geacht. Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vernietigen en zelf voorzien door de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van 7 januari 2025 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank beoordeelt hierna of het bestreden besluit voor het overige in stand kan blijven.
5. In het dossier zit een e-mail van eiseres van 20 januari 2025 waarin staat dat de gezamenlijke aanvraag van 2 december 2024 wordt ingetrokken. Eiser heeft op zitting verklaard dat hij daarvan niet op de hoogte was en daarmee niet heeft ingestemd. Het college heeft de aanvraag inhoudelijk beoordeeld en daarop beslist. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de gezamenlijke aanvraag is ingetrokken.
Totstandkoming van het bestreden besluit
6.1.
Eisers ontvingen eerder ieder afzonderlijk bijstand. Naar aanleiding van onderzoek door de sociale recherche heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 10 oktober 2024 de aan eisers verleende bijstand herzien, ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenplicht in verband met een gezamenlijke huishouding en niet gemelde inkomsten en activiteiten. Deze besluiten zijn later ingetrokken en vervangen door afzonderlijke besluiten van 28 april 2025. Daarbij heeft het college de aan eisers verleende algemene en bijzondere bijstand over de periode van 1 oktober 2023 tot en met
30 september 2024 herzien, ingetrokken en teruggevorderd. Deze besluiten staan in rechte vast.
6.2.
Kort na de intrekkingsbesluiten in oktober 2024 hebben eisers opnieuw bijstand aangevraagd. Bij de primaire besluiten 1, 2 en 3 zijn deze aanvragen afgewezen. Hieraan liggen handhavingsrapporten van 31 december 2024, 7 januari 2025 en 16 januari 2025 ten grondslag. In het onderzoeksrapport van 31 december 2024 staat onder meer dat eiser volgens het college beschikte over een onbekende geldstroom en dat eisers zich nog steeds bezighielden met handel in Nike-schoenen. Daarbij is verwezen naar bankafschriften, advertenties op Facebook en een advertentie waarin werd gezocht naar een garage of afgesloten parkeerplaats.
6.3.
In bezwaar heeft het college daarnaast een e-mail van de Sociale Recherche van 7 april 2025 betrokken over Facebookaccounts waarmee volgens het college opnieuw Nike-schoenen werden aangeboden. De bezwaaradviescommissie heeft geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren, onder aanvulling van de motivering. Het college heeft dit advies gevolgd.
Toetsingskader
7.1.
Op grond van artikel 11 van Pro de Participatiewet (PW) heeft iemand recht op bijstand als hij niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW moet een belanghebbende juiste en volledige informatie verstrekken over feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
7.2.
Naar vaste rechtspraak geldt dat wanneer eerder verleende bijstand is ingetrokken en daarna opnieuw een aanvraag wordt gedaan, het aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor nu wel recht op bijstand bestaat. [1] Dat betekent in deze zaak dat het aan eisers is om met concrete en controleerbare gegevens inzicht te geven in hun financiële situatie en aannemelijk te maken dat de eerdere activiteiten zijn beëindigd.
7.3.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvragen over de materieel te beoordelen periodes, te weten 9 oktober 2024 tot en met 7 januari 2025 (primair besluit 1), 13 november 2024 tot en met 7 januari 2025 (primair besluit 2) en 2 december 2024 tot en met 3 februari 2025 (primair besluit 3).
Beoordeling van de beroepsgronden
Onderzoeksplicht van het college
8.1.
Eisers voeren aan dat het college de door hen verstrekte informatie onvoldoende heeft onderzocht. Zij verwijzen daarbij naar uitspraken van de CRvB van 16 augustus 2022 en 8 augustus 2023. [2]
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtspraak waarop eisers zich beroepen neemt niet weg dat het in een situatie als deze, waarin eerder verleende bijstand is ingetrokken, het eerst aan eisers is om aannemelijk te maken dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Dat betekent dat eisers met concrete en verifieerbare gegevens voldoende inzicht moesten geven in hun financiële situatie en in de beëindiging van de eerdere activiteiten. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eisers die gegevens onvoldoende hebben verstrekt.
Financiële situatie en levensonderhoud
9.1.
Eisers voeren aan dat geen sprake is van onbekende inkomsten of geldstromen. Ter onderbouwing daarvan hebben zij in beroep bankafschriften overgelegd waarop een saldo van € 10.816,43 op 16 juli 2024 en een saldo van € 2.474,38 op 20 februari 2025 staat vermeld. Volgens eisers blijkt daaruit dat werd ingeteerd op bestaand vermogen. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat eiser tijdens het bewind leefde van leefgeld via de bewindvoerder, dat vaste lasten vanuit het bewind werden betaald en dat eiseres heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van eiser in die periode.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde bankafschriften alleen twee saldi blijken. Daarmee is nog niet inzichtelijk gemaakt hoe eisers in de relevante periodes feitelijk in hun levensonderhoud voorzagen. Het college heeft daarbij betekenis mogen toekennen aan de onderzochte bankafschriften van eiser over de periode van 1 juni 2024 tot en met 26 november 2024, voor zover deze betrekking hebben op de hier te beoordelen periodes. Ook met de verklaring op zitting dat eiser wekelijks leefgeld van de bewindvoerder ontving en dat vaste lasten via het bewind werden betaald, hebben eisers onvoldoende concreet en controleerbaar inzicht gegeven in hun financiële situatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat volgens het advies van de bezwaaradviescommissie uit de bankafschriften van eiseres over oktober en november 2024 niet blijkt dat zij eiser in relevante mate financieel heeft onderhouden.
Schoenenhandel en advertenties
10.1.
Eisers voeren aan dat niet is bewezen dat de advertenties op Facebook en Marktplaats van hen zijn. Ook wijzen zij erop dat de eerdere voorraad schoenen in beslag is genomen en zij dus niks meer hadden om te verkopen.
10.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft aan de afwijzingen ten grondslag gelegd dat in de relevante periodes nog steeds sprake was van handel in Nike-schoenen. Daarbij heeft het college verwezen naar advertenties op Facebook van 20, 26 en 28 december 2024. Verder heeft het college in bezwaar verwezen naar een e-mail van de sociale recherche van 7 april 2025. Daarin staat dat er signalen zijn dat het account “ [accountnaam 1] ” aan dezelfde verkoper kon worden gekoppeld als het account “ [accountnaam 2] ”, waaronder eisers eerder Nike-schoenen verkochten. Die signalen zijn afkomstig van een privédetective die in januari 2024 ook al meldingen had gedaan aan de sociale recherche over de verkoop van Nike-schoenen en die in januari 2025 melding heeft gemaakt van het account “ [accountnaam 1] ”. De bezwaaradviescommissie heeft hierover opgemerkt dat in de
e-mail van 7 april 2025 niet concreet wordt uitgelegd waarop die koppeling is gebaseerd. De commissie heeft daarbij wel gewezen op overeenkomsten in de achtergronden van de gebruikte foto’s op de accounts “ [accountnaam 1] ” en “ [accountnaam 2] ”. De rechtbank stelt vast dat de onderbouwing van de koppeling tussen de accounts en eisers beperkt blijft. Dat betekent echter niet dat eisers daarmee aannemelijk hebben gemaakt dat de eerdere handel was beëindigd. Daarbij weegt mee dat eisers hun ontkenning dat de advertenties van hen zijn niet nader hebben onderbouwd. Ook hebben zij geen objectieve en controleerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de handel daadwerkelijk was gestopt, terwijl het aan eisers is om aannemelijk te makkelijk dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de eerder vastgestelde situatie. De omstandigheid dat eerder voorraad in beslag is genomen, is daarvoor onvoldoende.
Opslagruimte
11.1.
Eisers voeren aan dat het zoeken naar opslagruimte iets anders is dan het hebben van opslagruimte. Daarbij hebben zij aangevoerd dat de advertentie was geplaatst voor een vriend die zelf geen Facebook-account had.
11.2.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De rechtbank volgt eisers in zoverre dat uit de advertentie op zichzelf niet blijkt dat eiser daadwerkelijk beschikte over vervangende opslagruimte. Het college heeft dit punt echter niet als zelfstandige afwijzingsgrond gebruikt, maar als aanwijzing betrokken bij de beoordeling of aannemelijk is gemaakt dat de eerdere handelsactiviteiten waren beëindigd. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de eerdere opslagruimte aan de [locatie] werd gebruikt voor de schoenenhandel en dat eiser die woning kort voordat de advertentie werd geplaatst had opgezegd. Ook de bezwaaradviescommissie heeft betekenis toegekend aan het korte tijdsverloop en de samenhang met de advertenties voor schoenenverkoop in december 2024. Dat eisers hiervoor een andere verklaring hebben gegeven, maakt niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat de eerdere handelsactiviteiten waren beëindigd.
12. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake was van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan zij in de relevante periodes recht hadden op bijstand. Het college heeft de afwijzingen van de aanvragen daarom terecht in het bestreden besluit gehandhaafd.

Conclusie en gevolgen

13.1.
Gelet op wat de rechtbank onder 4 ambtshalve heeft overwogen over de ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het college het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten van 7 januari 2025 ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres tegen deze primaire besluiten alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
13.2.
Het bestreden besluit blijft in stand voor zover daarin het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1 en 2 en het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 3 ongegrond zijn verklaard.
13.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2025 voor zover daarbij het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten van 7 januari 2025 ontvankelijk is verklaard;
  • verklaart het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten van 7 januari 2025 alsnog niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit;
  • bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
De griffier is buiten staat om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:825.