ECLI:NL:RBMNE:2026:2872

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/2894
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 GemeentewetArt. 2 Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2023 gemeente WijdemerenArt. 4 Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2023 gemeente WijdemerenArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag forensenbelasting wegens beschikbaarheid woning minder dan negentig dagen

Eiseres maakte bezwaar tegen een aanslag forensenbelasting voor het belastingjaar 2023, omdat zij stelde dat zij de woning niet meer dan negentig dagen per jaar ter beschikking had. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag met het argument dat de woning ook beschikbaar was gesteld aan iemand die werkzaamheden verrichtte voor het bedrijf van eiseres, waardoor de woning meer dan negentig dagen beschikbaar zou zijn.

De rechtbank beoordeelde de situatie en concludeerde dat het gebruik van de woning door deze persoon een zakelijk karakter had en dat eiseres de woning niet mocht betreden zonder toestemming gedurende die periode. Dit maakte dat de woning niet beschikbaar werd gehouden voor eiseres of haar gezin in de zin van de Verordening.

Daarmee was niet voldaan aan het criterium van meer dan negentig dagen beschikbaar houden van de woning. Het beroep werd daarom gegrond verklaard, de aanslag vernietigd en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de aanslag forensenbelasting omdat de woning niet meer dan negentig dagen ter beschikking stond aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2894

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats] (in Bali), eiseres,

(gemachtigde: mr. H. Kaiser)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigden: B.A. Schras en A. Bruijns)

Inleiding

1. Met het besluit van 14 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar voor het belastingjaar 2023 aan eiseres een aanslag forensenbelasting opgelegd [1] , voor het belastingobject [adres] in [plaats] (de woning) ter hoogte van € 10.025,10.
2. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar met de uitspraak op bezwaar van 15 april 2025 (de bestreden uitspraak) ongegrond verklaard en de aanslag forensenbelasting gehandhaafd.
3. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens hebben partijen nog nadere stukken ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht het bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard en de aanslag forensenbelasting terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Daarbij gaat het alleen om de aanslag forensenbelasting die voor het belastingjaar 2023 is opgelegd. Eiseres heeft de rechtbank ook verzocht om een oordeel over de aanslag forensenbelasting die voor het belastingjaar 2024 is opgelegd, maar dit valt buiten de omvang van het geschil nu de bestreden uitspraak daar niet op ziet. De rechtbank zal daar in deze procedure dan ook geen oordeel over geven.
6. Uit artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet volgt – voor zover hier van belang – dat gemeenten een forensenbelasting kunnen heffen “van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”. De gemeente Wijdemeren heeft voor het belastingjaar 2023 van die mogelijkheid gebruik gemaakt met de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2023 van de gemeente Wijdemeren (de Verordening). Daarin staat dat onder de naam ‘forensenbelasting’ een directe belasting wordt geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een woning binnen de gemeente beschikbaar houden. [2] De hoogte van de forensenbelasting bedraagt 0,27% van de WOZ-waarde van het belastingobject, met een minimum van € 378,-. [3]
Had eiseres de woning voor negentig dagen tot haar beschikking?
7. Eiseres is het niet eens met de opgelegde aanslag forensenbelasting. Ze betwist dat zij de woning voor meer dan 90 dagen in het belastingjaar tot haar beschikking had. De woning wordt in haar afwezigheid namelijk bewoond door [A] en eiseres maakte alleen gebruik van de woning tijdens kerst en in de maanden juli en augustus. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een ‘verklaring van gebruik’ overgelegd waaruit volgt dat de woning in exclusief gebruik is gegeven aan [A] gedurende het gehele jaar, met uitzondering van de maanden juli en augustus en een periode van 14 dagen rondom de jaarwisseling.
8. De heffingsambtenaar voert aan dat de enkele omstandigheid dat eiseres feitelijk minder dan 90 dagen gebruik heeft gemaakt van de woning nog niet maakt dat de woning niet beschikbaar was voor eiseres. Het gaat volgens de heffingsambtenaar om de mogelijkheid voor eiseres om de woning te gebruiken. Als de woning in gebruik is gegeven aan kennissen, is dat zodanig verbonden aan de privésfeer dat het valt aan te merken als het beschikbaar houden voor zichzelf, aldus de heffingsambtenaar. [4] De heffingsambtenaar wijst er verder op dat eiseres er ook belang bij heeft dat de woning in de periode dat zij zelf niet aanwezig is gebruikt wordt. Dit vanuit het oogpunt van veiligheid en het verkleinen van het risico op kraak. Ook gelet daarop is volgens de heffingsambtenaar in dit geval voldaan aan het vereiste van het beschikbaar houden voor zichzelf van de woning door eiseres.
9. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in dat standpunt. Daarbij is van belang dat door eiseres is gesteld dat het gebruik van de woning door [A] een zakelijke karakter heeft, waarbij [A] werkzaamheden uitvoert ten bate van de onderneming van eiseres. Daarmee is hier sprake van een andere situatie dan in de door de heffingsambtenaar aangehaalde uitspraak. Ook heeft eiseres benadrukt dat zij zonder toestemming van [A] de woning niet mag betreden gedurende de periode van het belastingjaar waarin [A] gebruik maakt van de woning, en dat volgt ook uit de ‘verklaring van gebruik’ die eiseres heeft overgelegd. Dat is door de heffingsambtenaar niet gemotiveerd bestreden. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat er sprake is van beschikbaar houden voor zichzelf of voor haar gezin als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Verordening gedurende de periode dat [A] gebruik maakt van de woning. Dat eiseres en [A] elkaar ook eerder mogelijk al kenden is in dat verband niet van belang. Ook dan is gelet op de hierboven genoemde omstandigheden geen sprake van een situatie die zodanig is verbonden met de privésfeer dat dit valt aan te merken als het beschikbaar houden voor zichzelf of voor het gezin, zoals de heffingsambtenaar betoogt.
14. De rechtbank concludeert dan ook dat de woning niet meer 90 dagen ter beschikking stond aan eiseres of haar gezin als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Verordening. Het beroep is om die reden gegrond. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven daarom verder geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

15. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Eiseres heeft in de beroepsfase verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Daarom ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar ook te veroordelen in de proceskosten van eiseres in beroep. Voor de bezwaarfase worden geen proceskosten vergoedt, omdat eiseres daar niet (tijdig) om heeft verzocht. [5]
16. De vergoeding voor de kosten van de beroepsfase wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld. De rechtbank stelt de proceskosten voor de beroepsfase vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1)
17. In totaal wijst de rechtbank € 1.868,- aan proceskosten toe.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar van 15 april 2025;
- vernietigt de aanslag forensenbelasting van 14 februari 2025 met aanslagnummer 1403996320);
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 223 van Pro de Gemeentewet en de Verordening op de heffing en de invordering van forensenbelasting 2023 van de gemeente Wijdemeren (de Verordening).
2.Artikel 2, eerste lid, van de Verordening.
3.Artikel 4, eerste en tweede lid, van de Verordening.
4.Daarbij wijst de heffingsambtenaar op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 januari 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AF3407.
5.Zie artikel 7:15 lid 2 en Pro 3 Awb.