ECLI:NL:RBMNE:2026:2874

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 24/3136
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 GemeentewetArt. 120 GrondwetArt. 1 GrondwetArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechtenArt. 14 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanslag forensenbelasting wegens gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding

Eiseres maakte bezwaar tegen een aanslag forensenbelasting 2023 van €5.346,- opgelegd door de gemeente Wijdemeren, stellende dat de Verordening forensenbelasting 2023 onverbindend is omdat deze de heffingsbevoegdheid van artikel 223 Gemeentewet Pro overschrijdt en in strijd is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat artikel 223 Gemeentewet Pro geen beperkingen stelt aan de hoogte van het tarief en dat het onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen gerechtvaardigd is.

De rechtbank constateert echter dat de afschaffing van het maximumbedrag van €3.000,- in de Verordening onvoldoende is gemotiveerd en dat de belangenafweging ontbreekt, wat leidt tot een onzorgvuldige voorbereiding. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of het vervallen maximumbedrag in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. De lastenverzwaring voor eiseres is significant, ruim 78%, wat niet als beperkt kan worden beschouwd.

Daarom blijft het voorschrift over het vervallen maximumbedrag buiten toepassing voor eiseres en wordt de aanslag verminderd tot het voorgaande tarief inclusief maximering. De rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar, veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden uitspraak.

Uitkomst: De aanslag forensenbelasting 2023 wordt verminderd tot het voorgaande tarief met maximering wegens gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren, verweerder

(gemachtigden: B.A. Schras en A. Bruijns).

Inleiding

1. Met het besluit van 24 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres voor het belastingjaar 2023 een aanslag forensenbelasting opgelegd [1] , voor het belastingobject [adres] in [plaats] , ter hoogte van € 5.346,-.
2. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar met de uitspraak op bezwaar van 27 februari 2024 (de bestreden uitspraak op bezwaar) ongegrond verklaard.
3. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen.

Het geschil

5. Eiseres vindt dat de aanslag niet in stand kan blijven, omdat de Verordening forensenbelasting 2023 (de Verordening) waar die aanslag op is gebaseerd onverbindend is. Volgens eiseres heeft de gemeente met de Verordening de heffingsbevoegdheid van artikel 223 Gemeentewet Pro namelijk gebruikt op een wijze die niet overeenstemt met wat de wetgever met die heffing heeft beoogd, te weten een heffing met een aanvullend karakter ten opzichte van de onroerende zaakbelasting (OZB). Bovendien is de Verordening in strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, en had de gemeente moeten motiveren waarom de excessieve heffing rechtmatig en redelijk is, zo stelt eiseres. Verder is in de bestreden uitspraak niet ingegaan op haar bezwaren, zodat het beroep volgens eiseres ook al om die reden gegrond zou moeten zijn.
6. Volgens de heffingsambtenaar is de Verordening niet in strijd met artikel 223 van Pro de Gemeentewet en ook niet met de door eiseres genoemde algemene rechtsbeginselen. De heffingsambtenaar blijft dan ook bij de bestreden uitspraak op bezwaar.

Beoordeling door de rechtbank

7. Uit artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet volgt – voor zover hier van belang – dat gemeenten een forensenbelasting kunnen heffen “van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden”.
8. De gemeente Wijdemeren heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt met de Verordening forensenbelasting Wijdemeren
.In de Verordening forensenbelasting 2021 was de heffingssystematiek nog gebaseerd op een vast bedrag per WOZ-waardeklasse. In de Verordening forensenbelasting 2022 is de heffingssystematiek aangepast, in die zin dat forensenbelasting niet langer werd geheven naar een vast bedrag maar naar een vast percentage van 0,25% over de WOZ-waarde, met een minimum van € 350,- en een maximumbedrag van € 3.000,-. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit onderdeel was van een breder financieel herstelplan voor de gemeente, in het kader waarvan meerdere gemeentelijke belastingen zijn herzien om de opbrengsten daaruit te verhogen en de begroting sluitend te kunnen krijgen.
9. In artikel 4, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting 2023 is voor het belastingjaar 2023 het voor het voorgaande jaar gehanteerde tarief van 0,25% verhoogd naar 0,27% en is het maximumbedrag van € 3.000,- komen te vervallen. Het is deze bepaling waarop de aanslag is gebaseerd die in de bestreden uitspraak op bezwaar in stand is gelaten. Daartegen richt zich het beroep van eiseres.
10. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiseres zo, dat zij in feite vraagt om een exceptieve toetsing van de bepaling uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening forensenbelasting 2023 aan (enerzijds) artikel 223 van Pro de Gemeentewet en (anderzijds) het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Daarop zal de rechtbank hieronder ingaan.
Verordening in strijd met artikel 223 Gemeentewet Pro?
11. Eiseres stelt dat de forensenbelasting een aanvullend karakter heeft ten opzichte van de OZB en dat de rechtsgrond voor de forensenbelasting is gelegen in compensatie voor gebruik van gemeentelijke voorzieningen door niet-ingezetenen terwijl gemeentes voor niet-ingezetenen geen bijdrage uit het gemeentefonds ontvangen. De Verordening voorziet in een forensenbelasting die ruim 2,35 keer zo hoog is als de OZB, en dat is volgens eiseres veel meer dan de eventuele derving aan inkomsten van de gemeente vanwege het feit dat de woning in bezit is van een niet-ingezetene. De vormgeving van de forensenbelasting als een identieke en extra OZB-heffing in combinatie met het excessieve tarief, maakt de verordening in strijd met de in artikel 223 van Pro de Gemeentewet toegekende bevoegdheid tot het heffen van de belasting, zo stelt eiseres.
12. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat artikel 223 van Pro de Gemeentewet geen grenzen stelt aan de hoogte van de tariefstelling. [2] Ook geeft de Gemeentewet gemeentes de bevoegdheid om zowel OZB als forensenbelasting naast elkaar te heffen van dezelfde belastingplichtige met betrekking tot dezelfde woning. [3] Het betoog van eiseres gaat er in feite van uit dat de tariefstelling voor de forensenbelasting in een bepaalde verhouding moet staan tot het voordeel dat eiseres heeft van de gemeentelijke voorzieningen waar zij als niet-ingezetene gebruik van maakt, danwel in een bepaalde verhouding tot de derving aan inkomsten van de gemeente omdat zij niet-ingezetene is. Die opvatting is onjuist. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat uit artikel 223 van Pro de Gemeentewet niet kan worden afgeleid dat er een verband dient te bestaan tussen het voordeel dat de niet-ingezetene heeft van gemeentelijke voorzieningen en het bedrag van de door die niet-ingezetene verschuldigde forensenbelasting. [4] Uit artikel 223 Gemeentewet Pro kan ook niet worden afgeleid dat de aan een belastingplichtige opgelegde forensenbelasting niet hoger mag zijn dan het bedrag aan inkomsten dat de gemeente misloopt omdat zij voor niet-ingezetenen geen bijdrage uit het gemeentefonds ontvangt, zoals eiseres voorstaat.
13. Uit artikel 223 van Pro de Gemeentewet volgt evenmin dat er een verband moet zijn tussen de hoogte van de forensenbelasting en de hoogte van de OZB. Het gaat immers om twee afzonderlijke heffingsgrondslagen die los staan van elkaar, en op basis waarvan ook naast elkaar afzonderlijke belastingen kunnen worden opgelegd. Dat de hoogte van de forensenbelasting op grond van de Gemeentewet in een bepaalde verhouding tot de hoogte van de OZB zou moeten staan volgt de rechtbank dan ook niet.
14. Gelet op het voorgaande is het tarief waar artikel 4, tweede lid van de Verordening in voorziet niet in strijd met artikel 223 van Pro de Gemeentewet. De beroepsgrond kan dus niet slagen. Eiseres heeft nog verzocht om op dit punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Daarvoor ziet de rechtbank, gelet op de voorgaande overwegingen en de daarin aangehaalde rechtspraak, echter geen aanleiding.
Verordening in strijd met algemene rechtsbeginselen?
15. Eiseres vindt dat sprake is van een excessief tarief en stelt dat exceptieve toetsing van de Verordening leidt tot schending van meerdere algemene rechtsbeginselen, met name het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. In ieder geval had een onderbouwing moeten worden gegeven waarom het redelijk is om – in vergelijking met de OZB – een dermate hoge bijdrage van forensen te vragen, zo stelt eiseres.
16. De rechtbank begrijpt het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel zo, dat zij daarbij doelt op het onderscheid dat wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen van de gemeente Wijdemeren, in die zin dat alleen niet-ingezetenen zoals eiseres forensenbelasting betalen bovenop de OZB. Om die reden moet artikel 4, tweede lid, van de Verordening volgens eiseres buiten toepassing worden gelaten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Het onderscheid dat in de Verordening wordt gemaakt tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, stemt overeen met het onderscheid dat in de Gemeentewet wordt gemaakt. Artikel 223 van Pro de Gemeentewet biedt immers alleen ten aanzien van die laatstgenoemde groep belastingplichtigen de mogelijkheid om (naast OZB en naast andere gemeentelijke belastingen) forensenbelasting te heffen. Zoals hierboven overwogen is daarbij geen beperking gesteld aan hoe de tariefstelling voor elk van deze afzonderlijke belastingen zich tot elkaar zouden moeten verhouden.
17. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat artikel 223 van Pro de Gemeentewet daarmee zelf in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, geldt het volgende. De Gemeentewet is een wet in formele zin. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van Pro de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet. Wel kan het onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van de vraag of het in de Gemeentewet gemaakte onderscheid strijd met het gelijkheidsbeginsel oplevert allereerst van belang is of uitgegaan kan worden van gelijke gevallen. Dit laatste wordt niet aangenomen indien er relevante verschillen zijn. In dit kader is van belang dat het om twee verschillende gemeentelijke belastingen gaat voor verschillende groepen belastingplichtigen. Bovendien staat tussen partijen niet ter discussie dat de gemeente voor niet-ingezetenen geen financiële bijdrage krijgt uit het gemeentefonds, maar wel voor ingezetenen. Gelet daarop zijn er naar het oordeel van de rechtbank relevante verschillen tussen beide groepen belastingplichtigen, en is van gelijke gevallen geen sprake. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat het hanteren van een veel hoger tarief voor de forensenbelasting dan voor de OZB in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat betoog dan ook niet.
18. Hetzelfde geldt voor het beroep op het evenredigheidsbeginsel, voor zover eiseres daarbij doelt op de verhouding tussen de hoogte van de forensenbelasting en de OZB. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen dienen beide gemeentelijke belastingen afzonderlijk te worden beoordeeld. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat de hoogte van het forensenbelastingtarief voor 2023 op zichzelf in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, geldt het volgende.
19. In zijn arrest van 13 september 2024 heeft de Hoge Raad overwogen dat als de rechtmatigheid van een voorschrift in een gemeentelijke belastingverordening dat leidt tot een lastenverzwaring, met een beroep op het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wordt bestreden, de rechter in de eerste plaats moet onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de rechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift in de verordening. Het ligt niet op de weg van de rechter om de betrokken belangen alsnog af te wegen indien de gemeentelijke wetgever dit heeft nagelaten. Indien als gevolg van een onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet valt te beoordelen of een voorschrift dat tot een lastenverzwaring leidt in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, brengt dit als regel mee dat de rechter dit voorschrift buiten toepassing dient te laten. Dat is slechts anders indien de negatieve gevolgen van dat voorschrift zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die lastenverzwaring te dienen doelen. [5]
20. De heffingsambtenaar stelt dat de afschaffing van de maximering een bewuste keuze van de gemeenteraad is geweest. Hij verwijst in dat verband naar het Coalitieakkoord-plus van 8 juni 2022 en het Raadsvoorstel bij de belastingverordeningen 2023, p. 5 punt h. De rechtbank stelt vast dat in die stukken inderdaad het verhogen van het tarief en het vervallen van het maximumbedrag worden genoemd. Uit die stukken valt echter niet op te maken dat de gemeenteraad de negatieve gevolgen van die lastenverzwaring voor de bestaande eigenaren van tweede woningen, heeft afgewogen tegen het belang van de gemeente om die maximering te laten vervallen. De heffingsambtenaar heeft ter zitting wel aangegeven dat de belangen van de betrokken belastingplichtigen zijn meegewogen, maar heeft niet kunnen aanduiden waar in de stukken van die afweging blijkt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen stukken zijn waarin een kenbare afweging van belangen in het kader van het vervallen van het maximumbedrag tot uitdrukking komt. Gelet op het hiervoor onder 19 weergegeven toetsingskader, moet daarom worden aangenomen dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het voorschrift waarin het maximumbedrag is komen te vervallen. Dat gebrek maakt dat niet beoordeeld kan worden of het desbetreffende voorschrift in de Verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de negatieve gevolgen van het vervallen van het maximumbedrag zo beperkt zijn, dat zonder meer kan worden aangenomen dat die gevolgen niet onevenredig zijn. In het geval van eiseres betekent het wegvallen van dat maximumbedrag immers dat zij € 5.346,- in plaats van € 3.000,- aan forensenbelasting dient te betalen. Dat behelst een lastenverzwaring van ruim 78% ten opzichte van het voorgaande jaar, toen het maximumbedrag nog wel gold. Dat zijn geen beperkte gevolgen. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat artikel 4, tweede lid, van de Verordening, waarin de voorheen geldende maximering op € 3.000,- is komen te vervallen, ten aanzien van eiseres buiten toepassing dient te blijven. De beroepsgrond slaagt.
Bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd?
21. Nu het beroep van eiseres gelet op het voorgaande slaagt en de bestreden uitspraak op bezwaar al om die reden moet worden vernietigd, behoeft de beroepsgrond van eiseres dat de bestreden uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is gegrond. Het voorschrift uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening blijft ten aanzien van eiseres buiten toepassing vanwege een onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering. Dat brengt mee dat ook artikel 9 van Pro de Verordening, waarbij de tot dan toe geldende Verordening forensenbelasting 2022 is ingetrokken, in zoverre buiten toepassing dient te blijven. [6] Als gevolg daarvan blijft het direct voorafgaand aan 2023 geldende tarief (dus inclusief de maximering op € 3.000,-) op eiseres van toepassing. De rechtbank zal de aanslag dienovereenkomstig verminderen.
23. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De kosten van rechtsbijstand worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 666 voor de bezwaarfase (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1) en € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De totale proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 2.534,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de voor het jaar 2023 aan eiseres opgelegde aanslag forensenbelasting tot een aanslag berekend naar het direct voorafgaand aan 2023 geldend tarief inclusief maximering, dus € 3.000,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht á € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vermeer, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 223 van Pro de Gemeentewet en de Verordening forensenbelasting 2023.
2.Hoge Raad 4 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:648, rov. 4.2.
3.Hoge Raad 9 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5329, rov. 3.3.
4.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rov. 4.2.
5.Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rov. 4.4.1 en 4.4.2.
6.Vgl Hoge Raad 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rov. 5.2.