ECLI:NL:RBMNE:2026:2877

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/5635
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:1 AwbArt. 17 ParticipatiewetArt. 58 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand en terugvordering voorschot wegens niet overleggen bankafschriften

Eiser diende op 10 februari 2025 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Lelystad. Het college wees de aanvraag af op 25 april 2025 en vorderde het voorschot terug op 2 mei 2025, omdat eiser niet de gevraagde bankafschriften van zijn ABN AMRO- en BUNQ-rekeningen overlegde. Ondanks herstelverzoeken en termijnen verstrekte eiser niet alle benodigde informatie.

Eiser stelde dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig was en dat zijn BUNQ-rekeningen al in 2023 waren beëindigd vanwege een fraudeonderzoek, waardoor hij de bankafschriften niet kon aanleveren. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om de situatie toe te lichten en dat het college terecht bij de afwijzing bleef. Ook de bezwaarprocedure was niet onzorgvuldig, aangezien communicatie via de gemachtigde correct verliep.

De rechtbank benadrukte dat de bewijslast voor het recht op bijstand bij de aanvrager ligt en dat het niet voldoen aan de inlichtingenplicht een geldige grond is voor afwijzing. Omdat eiser onvoldoende informatie verstrekte, kon het college zijn financiële situatie niet vaststellen. De terugvordering van het voorschot was daarom ook terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag en terugvordering van het voorschot blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5635

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college
(gemachtigden: mr. J.E.M. Balinge-Rommers en I.D. Badrising-Anroedh).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand en de terugvordering van het voorschot.
1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend om bijstand op 10 februari 2025. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2025 afgewezen. Met het besluit van 2 mei 2025 heeft het college het voorschot teruggevorderd. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het college deelgenomen. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat het geschil over?
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser de gevraagde informatie over zijn bankrekeningen niet heeft overgelegd. Eiser moest bankafschriften overleggen van zijn ABN-AMRO rekening en drie BUNQ rekeningen, over de periode van 1 januari 2025 tot en met 24 maart 2025. Die zijn nodig om zijn recht op bijstand vast te stellen. Dit heeft eiser niet gedaan, terwijl hij daarvoor volgens het college wel voldoende gelegenheid heeft gehad. Op 25 maart 2025 is een herstelverzuimbrief gestuurd waarin is gevraagd om de bewijsstukken, en heeft het college telefonisch contact met eiser gehad. Op 26 maart 2025 heeft eiser een aantal gegevens overgelegd, maar niet alle gevraagde gegevens. Op 9 april 2025 is de tweede herstelverzuimbrief gestuurd. Op 27 mei 2025 heeft eiser laten weten dat hij heeft geprobeerd om contact op te nemen met ABN AMRO en BUNQ over de bankafschriften, maar nog in afwachting is van een antwoord. Het college heeft eiser vervolgens een termijn gegeven tot 12 juni 2025, maar eiser heeft de gegevens niet overgelegd en ook geen contact meer met het college opgenomen. Het college blijft daarom bij de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering. [1]
5. Eiser voert aan dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is geweest. Hij is via het Juridisch Loket bij zijn toenmalige gemachtigde terechtgekomen, maar die heeft geen (aanvullende) gronden van bezwaar ingediend, en heeft hem niet ingelicht over de hoorzitting. Eiser had graag op de hoorzitting willen vertellen over zijn problemen met de bankrekening.
Verder kan eiser de bankafschriften van BUNQ niet aanleveren, omdat zijn rekeningen al ruim voor de aanvraag om bijstand (in 2023) zijn beëindigd vanwege een vermoeden van fraude. Vanwege het fraudeonderzoek was BUNQ niet bereid om informatie te verstrekken over de bankrekeningen. Eiser heeft ter onderbouwing daarvan een mailwisseling met BUNQ overgelegd. Nu duidelijk is dat de rekeningen in de gevraagde periode niet meer van eiser waren, zijn ze volgens eiser ook niet relevant voor het vaststellen van zijn recht op bijstand.
Ook als er geen bijstand zou kunnen worden toegekend, vindt eiser dat het college had moeten afzien van terugvordering van het voorschot. Eiser heeft namelijk geen inkomen meer sinds het ongeval en heeft zich vanwege zijn financiële situatie gemeld bij een organisatie voor schuldhulpverlening.
De bezwaarprocedure
6. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is geweest. Eiser heeft er zelf voor gekozen om zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die zich op 12 juni 2025 heeft gemeld. Het doen en (na)laten van de gemachtigde komt dan voor rekening en risico van eiser. Het college heeft er terecht op gewezen dat zij op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verplicht is om de communicatie via de gemachtigde te laten verlopen, en dat zij de uitnodiging voor de hoorzitting dus naar de gemachtigde moest sturen. [2] De beroepsgrond slaagt niet.
De afwijzing van de aanvraag
7. De rechtbank oordeelt over de afwijzing van de aanvraag als volgt. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de behoefte aan bijstand rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [3]
8. Het college heeft bij eiser bankafschriften van de BUNQ rekeningen en ABN AMRO rekening opgevraagd, omdat deze als rekeningen van eiser bij de belastingdienst bekend zijn. Wat betreft de rekeningen van BUNQ heeft het college in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat zij niet meer tegenwerpt dat eiser de bankafschriften niet heeft overgelegd. Het college begrijpt uit de mailwisseling die eiser in beroep heeft overgelegd dat hij nu niet over die bankafschriften kan beschikken. Het college volgt eiser echter niet in zijn stelling dat de BUNQ rekeningen beëindigd zijn. Dat is in de mailwisseling niet door BUNQ bevestigd. Het college mocht van eiser verwachten dat hij de situatie wat betreft deze rekeningen duidelijk maakte. Eiser heeft daar ook voldoende gelegenheid voor gehad: er zijn verschillende herstelmogelijkheden aan eiser geboden. Eiser heeft na 27 mei 2025 niets meer van zich laten horen, terwijl hem een termijn was gegeven tot 12 juni 2025. Pas na het bestreden besluit, in september en oktober 2025 heeft eiser BUNQ gemaild om te informeren of zijn rekeningen zijn beëindigd. De minister mocht eiser daarom in het bestreden besluit tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. [4] Verder heeft eiser nog steeds de ABN AMRO bankafschriften niet overgelegd. Niet gesteld of gebleken is dat eiser deze bankafschriften niet heeft kunnen overleggen. Ook op dat punt heeft eiser dus niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Hierdoor kon de minister de financiële situatie van eiser, en daarmee zijn recht op bijstand, niet vaststellen. De aanvraag is terecht afgewezen. De beroepsgrond slaagt niet.
De terugvordering
9. Zoals hiervoor is uitgelegd, heeft eiser niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht, omdat hij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de bankrekeningen. Hierdoor is het inkomen van eiser niet vast te stellen, en dus ook niet in hoeverre hij schulden heeft. Die schulden heeft eiser overigens ook niet onderbouwd. Onder deze omstandigheden heeft het college gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om het voorschot terug te vorderen [5] en is er geen sprake van dringende redenen om daar van af te zien. [6] Het college mocht het belang van een juiste besteding van gemeenschapsgelden doorslaggevend achten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag en de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 17, eerste lid en artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3225, r.o. 7.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:973.
4.Zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.
5.Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet.
6.Zoals bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Participatiewet.