ECLI:NL:RBMNE:2026:2900
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waardebepaling en dwangsom bij bodemverontreinigde woningen
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarden van twee woningen met bodemverontreiniging voor de belastingjaren 2022, 2023 en 2024. De heffingsambtenaar had een rompslomp-aftrek toegepast en vergeleek de woningen met niet-verontreinigde referentiewoningen in dezelfde wijk. De saneringskosten zijn voor rekening van de gemeente.
Eiser stelde dat de woningen door de bodemverontreiniging geen marktwaarde hebben en dat de referenties daarom ongeschikt zijn. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waardevermindering adequaat heeft verwerkt en dat de taxatiematrices voldoende inzicht geven in de waardebepaling. Het beroep tegen de WOZ-waardes werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast was in geschil de hoogte van de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. De rechtbank stelde vast dat de dwangsom over zes dagen verschuldigd is, waardoor het beroep op dit punt gegrond werd verklaard en de dwangsom werd verhoogd van €69 naar €138.
Ten slotte voerde eiser aan dat hij geen rioolheffing verschuldigd was omdat de woning niet op de riolering is aangesloten. De rechtbank oordeelde dat een deel van het hemelwater via gemeentelijke voorzieningen wordt afgevoerd en dat de aanslagen terecht zijn opgelegd. Eiser kreeg wel vergoeding van griffierecht en verletkosten toegekend.
Uitkomst: WOZ-waardes worden bevestigd, dwangsom wegens niet tijdig beslissen wordt verhoogd, beroep tegen rioolheffing wordt afgewezen.