Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2968

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
11718467 \ UC EXPL 25-4659
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:274 lid 1 sub c BWArt. 7:274 lid 3 BWArt. 7:220 lid 2 BWArt. 7:220 lid 5 BWArt. 7:220 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beëindiging huurovereenkomst wegens renovatie en toewijzing huurprijsvermindering en herstel gebreken

In deze huurzaak vordert de verhuurder beëindiging van de huurovereenkomst wegens renovatie en betaling van energiekosten, terwijl de huurder zich verzet tegen vertrek en betwist de energiekosten. De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de renovatie zodanig dringend is dat beëindiging gerechtvaardigd is. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen.

De energiekosten worden toegewezen tot een bedrag van € 71,52 na toepassing van een verdeelsleutel conform de Huurcommissie. De verhuurder kan geen aanspraak maken op de gevorderde incassokosten wegens een onredelijk beding. De huurder vordert herstel van diverse gebreken, waarvan de kantonrechter het gebrek aan ventilatie in de badkamer en de onafgewerkte kozijnen en buitenmuur toewijst.

De kantonrechter wijst een huurprijsvermindering toe vanaf 5 februari 2025 tot het moment van herstel, met een korting van 40% tot januari 2026 en 60% vanaf februari 2026. De verhuurder wordt veroordeeld tot herstel binnen 30 dagen en tot betaling van proceskosten. De vorderingen tot verhuiskostenvergoeding en overige gebreken worden afgewezen.

Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wordt afgewezen, herstel van gebreken wordt bevolen en een huurprijsvermindering toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11718467 \ UC EXPL 25-4659
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.J. de Vries,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte wijziging van eis en aanvullende producties van [gedaagde] .
1.2
De mondelinge behandeling (zitting) vond plaats op 22 oktober 2025. Daarbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde mr. W.J. de Vries. [gedaagde] was ook aanwezig met zijn gemachtigde mr. J.P.J. Botterblom. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Tijdens de zitting is afgesproken dat partijen in overleg zouden gaan om te bekijken of zij er onderling uit konden komen. Dat is niet gelukt. Daarna heeft [gedaagde] op 31 december 2025 een akte met producties ingediend waarin hij zijn eiswijziging toelicht. Vervolgens heeft [eiser] een akte ingediend (met producties) en heeft [gedaagde] daarop gereageerd via een akte.
1.3
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] verhuurt een woning aan [gedaagde] . [eiser] wil dat [gedaagde] de woning verlaat vanwege een renovatie. Daarnaast vordert [eiser] de energiekosten over de jaren 2022 en 2023 van [gedaagde] . [gedaagde] vindt dat hij de woning niet hoeft te verlaten voor de renovatie en dat [eiser] de energiekosten verkeerd heeft berekend. In reconventie vordert [eiser] verrekening van de te veel betaalde energiekosten, een verhuiskostenvergoeding als hij toch de woning moet verlaten, dat de door hem genoemde gebreken worden hersteld en hij vanaf 5 februari 2025 geen huur hoeft te betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en die van [gedaagde] (deels) toe.

3.De beoordeling

De vorderingen van [eiser]
De vorderingen tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het verhuurde worden afgewezen
3.1
[eiser] vordert beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het verhuurde. De kantonrechter kan deze vordering alleen toewijzen als [eiser] aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik dat niet van hem kan worden verlangd dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. De belangen van zowel [eiser] als [gedaagde] worden daarbij in aanmerking genomen. [1] Met eigen gebruik wordt onder meer bedoeld een renovatie van woonruimte die zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is. [2]
3.2
[eiser] stelt dat hij de tweede etage waar [gedaagde] woont, wil renoveren, omdat de woning gedateerd is en het appartement niet voldoet aan de eisen van deze tijd op het gebied van veiligheid, comfort en duurzaamheid. Dat op zichzelf levert nog geen grond op voor een beëindiging van een huurovereenkomst. Het gehuurde verandert namelijk niet van gedaante door de renovatie die wordt uitgevoerd. Het de bedoeling is dat de badkamer gerenoveerd gaat worden, er een nieuw keukenblok geplaatst gaat worden en het appartement vloerverwarming krijgt. [eiser] heeft inmiddels al de meterkast voorzien van een tussenmeter en de ramen/gevel aangepast. Als [gedaagde] daarvoor de woning uit zou moeten, dan zou dat voor korte tijd zijn en kan hij gewoon terugkeren in het gehuurde. Het had dus op de weg gelegen van [eiser] om [gedaagde] een redelijk renovatievoorstel te doen. [3] Dat heeft hij niet gedaan. Hij wil dat [gedaagde] vertrekt omdat hij het plan heeft het gehuurde veel duurder te gaan verhuren of te verkopen. Dat kan een reden voor huurbeëindiging zijn als aannemelijk zou zijn gemaakt dat sprake is van een structurele wanverhouding tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten. [4] [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is. Er is dus geen basis voor beëindiging van de huurovereenkomst.
De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst en de vordering tot ontruiming van het verhuurde zullen dan ook worden afgewezen.
De gevorderde energiekosten worden toegewezen tot een bedrag van € 71,52
3.3
[eiser] vordert over 2022 € 302,18 en over 2023 € 2.606,32 aan energiekosten. Volgens [eiser] was het aandeel van [gedaagde] van de energierekening in 2022 € 2.462,18 terwijl hij dat jaar € 2.160,00 aan voorschotten betaalde. In 2023 heeft [eiser] het aandeel van [gedaagde] berekend op € 4.766,32 waarvan [gedaagde] € 2.160,00 betaalde.
3.4
[gedaagde] betwist allereerst nog enig bedrag aan energiekosten verschuldigd te zijn. Hij stelt dat een vaste prijs van € 50,00 per maand afgesproken, maar dat volgt niet uit de huurovereenkomst. In artikel 1 van Pro de huurovereenkomst is namelijk bepaald dat het bedrag dat is genoemd in de huurovereenkomst als bijdrage in de energiekosten mag worden verhoogd als het gebruik van energie door [gedaagde] daartoe aanleiding geeft. Partijen hebben in de loop der jaren ook het te betalen voorschot op de energiekosten naar boven bijgesteld. [gedaagde] betaalde sindsdien € 180,00 aan voorschot per maand.
3.5
In de jaren 2022 en 2023 waren er in het pand waarin het gehuurde zit meerdere appartementen. Het energieverbruik per appartement kon niet precies worden vastgesteld omdat er geen individuele meters waren per appartement. Het verbruik van [gedaagde] moet daarom worden geschat aan de hand van de geregistreerde verbruik op de hoofdmeter.
Zoals [eiser] terecht heeft aangevoerd hanteert de Huurcommissie in zo’n geval een
verdeelsleutel om tot beoordeling en vaststelling van de redelijke betalingsverplichting te komen voor het energieverbruik. [5] De verdeelsleutels die de Huurcommissie hanteert voor gas en elektriciteit zijn:
Gas:
• vaste kosten: 35% gelijk over het aantal woonruimten
• variabele kosten: 65% naar vloeroppervlakte
Elektriciteit:
een gelijke verdeling over het aantal woonruimten.
3.6
[eiser] stelt dat in 2022 en 2023 niet alle appartementen verhuurd waren of in gebruik waren en dat [gedaagde] er enige tijd alleen heeft gewoond. Daarom berekent [eiser] de totale energielasten van het pand over die periode als volgt door.
2022
  • de toe te rekenen vaste kosten (35%) voor 1/3 deel
  • de variabele kosten over de periode 1 januari tot en met 23 maart 100% en over de periode 24 maart tot en met 31 december 50%,
2023
  • de toe te rekenen vaste kosten (35%) voor 1/3 deel
  • de variabele kosten over de periode 1 januari tot en met 26 juni 45% en over de periode 27 juni tot en met 31 december voor 90%.
Over de bedragen vordert [eiser] wettelijke rente vanaf 27 februari 2025 tot aan de dag van de volledige betaling.
3.7
De kantonrechter ziet geen aanleiding af te wijken van de verdeelsleutel die de Huurcommissie in dit soort gevallen hanteert, omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] daadwerkelijk relatief veel meer energie is gaan verbruiken in de betreffende jaren dan op basis van het voorschot (gerelateerd aan het verbruik over de voorgaande jaren) in rekening werd gebracht en op basis van de verdeelsleutel in rekening gebracht mocht worden. Dat een deel van de appartementen enige tijd heeft leeg gestaan is daarvoor niet voldoende, omdat in die tijd bouwwerkzaamheden aan het pand werden uitgevoerd die ook energie zullen hebben gevraagd. De kantonrechter volgt daarom de berekening van [gedaagde] voor wat betreft de verschuldigde energiekosten, gebaseerd op de verdeelsleutel die ook de huurcommissie hanteert. Dat betekent dat [gedaagde] in 2022 € 565,02 (€ 4.784,95 / 3 = € 1.548,98 - € 2.160,00 aan betaalde verschotten = - € 565,02) te veel heeft betaald aan [eiser] . [gedaagde] wil dat bedrag verrekenen met het bedrag aan energiekosten over 2023 nog verschuldigd is. Dat bedrag heeft [gedaagde] berekend op € 636,90. [gedaagde] moet na verrekening dan nog een bedrag van € 71,52 aan [gedaagde] betalen. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. De hierop gebaseerde vordering in reconventie hoeft dus niet meer besproken te worden.
3.8
De gevorderde wettelijke rente zal, als onweersproken en gegrond op de wet, worden toegewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
3.9
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De huurovereenkomst bevat een incassokostenbeding. Artikel 13 bepaalt Pro dat [gedaagde] 15% van de hoofdsom aan incassokosten moet betalen met een minimumbedrag van € 250,00. Artikel 13 is Pro een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling (meer specifiek artikel 6:96 lid 5 BW Pro / het Besluit) die zonder dit beding (dwingend) zou gelden. Het beding is daarom onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a, BW en oneerlijk in de zin van de Richtlijn. [eiser] kan in dat geval geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn geweest zonder het oneerlijke beding. Dat volgt uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
De vorderingen van [gedaagde]
De gevorderde verhuisvergoeding wordt afgewezen
3.1
[gedaagde] vordert een verhuiskostenvergoeding van € 7.673,00. [6]
Maar, het is (nog) niet duidelijk dat [gedaagde] moet verhuizen. De gevorderde beëindiging van de huurovereenkomst afgewezen. Dus dat geeft geen reden voor verhuizing. Het is onduidelijk wat er nog aan bouwwerkzaamheden moet worden gedaan, omdat er geen bouwplannen zijn overgelegd. Volgens [eiser] moet [gedaagde] tijdens de bouwwerkzaamheden het verhuurde verlaten, maar de kantonrechter kan dat vooralsnog niet vaststellen. Mocht het uiteindelijk wel nodig zijn dat [gedaagde] uit de woning vertrekt, ook al is de verhuizing tijdelijk, dan heeft hij recht op een verhuisvergoeding. Maar, [eiser] kan in plaats van de verhuisvergoeding ook een gemeubileerde logeerwoning aanbieden voor de periode dat [gedaagde] niet in het gehuurde kan wonen. Overigens heeft [eiser] al gezegd bereid te zijn de verhuisvergoeding te betalen, als [gedaagde] vanwege de renovatie (tijdelijke) het verhuurde moet verlaten. Op dit moment kan de kantonrechter dus niet vaststellen dat [gedaagde] recht en belang heeft bij toewijzing van een verhuiskostenvergoeding. Die vordering zal dus worden afgewezen.
[eiser] moet een aantal van de door [gedaagde] gestelde gebreken verhelpen
3.11
[gedaagde] stelt dat het gehuurde gebreken heeft, die [eiser] weigert te herstellen. [gedaagde] vordert herstel van deze gebreken binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis. Het gaat volgens [gedaagde] om de volgende gebreken:
De woonruimte kan niet deugdelijk worden verwarmd,
De badkamer wordt niet geventileerd,
De kozijnen zijn niet afgewerkt en niet afgetimmerd met dampremmende en dampdichte folie,
Het houskelet is niet geïsoleerd,
Het dakbeschot is niet geïsoleerd,
De binnenzijde van de woning is niet afgewerkt.
3.12
Allereerst stelt [gedaagde] dat het gehuurde niet deugdelijk kan worden verwarmd. Hij wil dat er in ieder geval twee radiatoren worden aangesloten op de aanvoer en retour van de ketel en dat de ketel in werking wordt gesteld. [eiser] voert aan dit inmiddels te hebben gedaan en [gedaagde] heeft dit bevestigd. Herstel is dus niet meer nodig en [gedaagde] heeft geen belang meer bij de vordering. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
3.13
Onvoldoende mogelijkheid tot ventilatie van een bad- of doucheruimte waardoor stank- en vochtoverlast ontstaat is volgens het gebrekenboek van de Huurcommissie een categorie C-gebrek. Volgens [gedaagde] ontbreekt ventilatie in de badkamer van het gehuurde. Hij vordert daarom dat [eiser] een ventilatie in de badkamer aanbrengt.
De rapporteur van de huurcommissie constateert in zijn rapport van 22 december 2025 (productie 5 [gedaagde] ) dat ventilatie ontbreekt en stelt vast dat er schimmelplekken zichtbaar zijn. Volgens [eiser] was er wel een ventilator aanwezig en heeft [gedaagde] deze zelf verwijderd. Meer voor de hand liggend lijkt dat de rapporteur van de huurcommissie de ventilator over het hoofd heeft gezien (een optie waarmee de rapporteur zelf ook in zijn rapport rekening houdt). De door [gedaagde] ingeschakelde deskundige, [bedrijf] heeft namelijk in zijn rapport van 16 januari 2025 (productie 2 [gedaagde] ) vastgesteld dat er tijdens de opname een elektrische fan-ventilator aanwezig was, maar dat die niet functioneerde. In het midden kan blijven of er wel of geen ventilator aanwezig is, omdat de kantonrechter op basis van beide rapporten vast stelt dat de ventilatie in de badkamer onvoldoende is. [eiser] schiet dus tekort in zijn verplichting om de badkamer volgens het Bouwbesluit te ventileren. [eiser] zal dus worden opgedragen de badkamer te ventileren zoals gevorderd.
3.14
[gedaagde] stelt dat de kozijnen niet zijn afgewerkt/afgetimmerd waardoor de woning tocht. Zowel [bedrijf] als de rapporteur van de Huurcommissie bevestigen dit in hun rapporten. Dit is een gebrek in de categorie C die [eiser] moet verhelpen. Als het nodig is om dampremmende en dampwerende folie aan te brengen, om tocht tegen te gaan, dan zal [eiser] beiden moeten aanbrengen. De vordering op dit punt zal dus worden toegewezen.
3.15
[eiser] stelt dat het houskelet niet geïsoleerd is en vordert dat [eiser] hiervoor zorgt. [eiser] heeft op de zitting uitgelegd dat het appartement van [gedaagde] eerst een balkon had, maar dat hij ervoor heeft gekozen het balkon weg te werken door daar een buitenmuur te plaatsen en op die manier een extra kamer te realiseren. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat de oude buitenmuur er nog staat en er verder niets aan isolatie aan de nieuwe gevel is gedaan. [gedaagde] kijkt nu tegen een lelijke constructie aan, waar hij eerst vrij uitzicht had. Bovendien is de functie van het balkon weggenomen, terwijl [gedaagde] nog geen woonplezier heeft van de nieuwe ruimte, omdat deze te koud is vanwege gebrek aan isolatie. Het is de taak van [eiser] om dat te regelen. Als hij ervoor kiest om het balkon weg te werken door daar een nieuwe buitenmuur te maken, dan moet hij die ruimte ook fatsoenlijk afwerken. Daarmee heeft [gedaagde] een punt. Als [eiser] het gehuurde op deze manier aanpast zal hij ook voor een deugdelijke tochtvrije afwerking moeten zorgen. De vordering zal op dit punt dan ook worden toegewezen.
3.16
[gedaagde] stelt dat het dakbeschot niet geïsoleerd is en wil dat [eiser] hiervoor zorgt. Maar, dat zou een verbetering zijn ten opzichte van de situatie zoals die was toen [gedaagde] het ging huren. [eiser] is niet verplicht een dergelijke energiebesparende maatregel voor een woonruimte te treffen. Het ontbreken van een dakisolatie is dan ook geen onderhoudsgebrek. [gedaagde] kan [eiser] wel vragen de verbetering door te voeren. Hij moet dan wel rekening houden met een redelijke huurprijsverhoging.
Omdat [eiser] niet verplicht kan worden het dakbeschot te isoleren, wordt de vordering op dit punt afgewezen.
3.17
[gedaagde] vordert tot slot dat [eiser] de binnenzijde van de woonruimte afwerkt. Wat [gedaagde] hier precies mee bedoelt is niet duidelijk. Hij had dit concreter moeten toelichten omdat het onderhoud van het interieur een verplichting van de huurder is. De vordering wordt op dit punt dus afgewezen.
3.18
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] de badkamer van een ventilatie volgens het Bouwbesluit moet voorzien, de kozijnen moet afwerken/aftimmeren, zo nodig met dampremmende en dampwerende folie en de nieuwe buitengevel behoorlijk moet afwerken. [gedaagde] vordert dat [eiser] een dwangsom van € 1.000,00 betaalt voor iedere dag dat [eiser] daarmee in gebreke blijft. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat [eiser] de gebreken te lang in stand heeft gehouden en dus een prikkel tot nakoming op zijn plaats is. Maar die prikkel volgt al uit de huurvermindering die zal worden toegewezen. Voor een afzonderlijke dwangsom ziet de kantonrechter dus geen noodzaak.
De gevorderde huurprijsvermindering wordt deels toegewezen
3.19
[gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat hij vanaf 5 februari 2025 geen huur aan [eiser] verschuldigd is zolang [eiser] de gebreken die hij moet verhelpen, niet heeft hersteld.
3.2
Een huurder kan bij vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen vanaf de dag dat de verhuurder van het gebrek op de hoogte is gebracht. [7] Voldoende aannemelijk is geworden dat de woning tocht en dat de badkamer niet geventileerd kan worden met vochtproblemen als gevolg. [eiser] stelt ook dat de woning al geruime tijd voor 21 januari 2025 – de datum dat [eiser] in gebreke is gesteld – geen verwarming had. Uit het rapport van [bedrijf] volgt dat de verwarming is afgesloten. De cv-ketel was uitgeschakeld en niet aangesloten. Daarnaast was de aanvoer en retourleiding niet aangesloten op de vloerverwarmingspomp en de cv-ketel. Dit was dus al op 16 januari 2025 het geval. De huurcommissie heeft op 22 december 2025 bevestigd dat de cv-installatie uitgeschakeld was en de woning erg koud aanvoelde. [eiser] brengt daar tegenin dat zijn installateur heeft geconstateerd dat er wel een aansluiting was tussen de radiatoren in de woning van [gedaagde] en de cv-installatie, maar onderbouwt dat niet met stukken. De kantonrechter gaat daarom uit van de rapporten van De Huurcommissie en [bedrijf] . [gedaagde] heeft dus voldoende onderbouwd dat hij vanaf 5 februari 2025 geen verwarming in zijn huurwoning had. Dit is een categorie C gebrek. Niet in geschil is dat [eiser] in januari 2026 nieuwe radiatoren heeft geplaatst in de woonruimte van [gedaagde] en deze heeft aangesloten op een nieuwe cv-installatie waardoor de ruimte weer deugdelijk kan worden verwarmd. Vanaf dat moment is het gebrek dus verholpen.
[gedaagde] heeft wel de beschikking gehad over warm water, want de boiler functioneerde. [eiser] kan er niet voor verantwoordelijk worden gehouden dat [gedaagde] die niet heeft willen gebruiken omdat hij vreesde voor hoge stookkosten.
3.21
[gedaagde] wil een huurprijsvermindering vanaf 5 februari 2025 tot aan het moment dat de gebreken zijn verholpen. [eiser] was al op 21 januari 2025 op de hoogte gebracht van de gebreken, zodat een huurprijsvermindering vanaf 5 februari 2025 redelijk is. De gebreken die hierboven zijn genoemd zijn allemaal categorie C-gebreken waar een huurprijsvermindering tot 40% van de huurprijs bij hoort. Er is geen aanleiding om een minder hoge huurkorting toe te passen, omdat de situatie al langer dan vanaf 5 februari 2025 duurde. [gedaagde] is aan zijn lot overgelaten vanwege het enkele feit dat hij niet uit de woning wilde vertrekken voor de renovatie, terwijl hij niet verplicht was hieraan mee te werken. De gevorderde huurvermindering zal daarom vanaf 5 februari 2025 worden toegewezen.
3.22
De huurprijsvermindering tot 40% van de huurprijs geldt tot februari 2026. Het meest wezenlijke punt was immers het ontbreken van de verwarming in de woning en [eiser] heeft dit gebrek in januari 2026 verholpen. Met ingang van februari 2026 zal de huurprijs worden verminderd tot 60% van de overeengekomen huur tot het moment waarop de gebreken zijn hersteld. De kantonrechter vindt een huurkorting van 40% passend bij de aard en omvang van de resterende gebreken. Dat betekent dat vanaf februari 2026 een huurprijsvermindering tot 60% van de huurprijs geldt.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.23
[eiser] is in conventie en in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen.
3.24
De proceskosten van [gedaagde] in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
632,50
3.25
De proceskosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
253,00
(2 punten × factor 0,5 × € 253,00)
Totaal
253,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.26
Sommige beslissingen in deze uitspraak worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.4
veroordeelt [eiser] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de gebreken te herstellen zoals genoemd in 3.18,
4.5
verklaart voor recht dat vanaf 5 februari 2026 tot en met januari 2026 een huurkorting van 60% en vanaf februari 2026 tot aan het moment dat de in 3.18 genoemde gebreken zijn verholpen een huurkorting van 40% geldt,
4.6
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.7
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.9
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.1
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro
2.Artikel 7:274 lid 3 BW Pro
3.Artikel 7:220 lid 2 BW Pro
4.HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0683, NJ 2010/190 (
5.Hoofdstuk 4.2.1 van het Beleidsboek Servicekosten
6.Op grond van artikel 7:220 lid 5 en Pro 6 BW of artikel 7:275 BW Pro
7.Artikel 7:207 BW Pro.